ECLI:NL:RBZWB:2017:2587
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Van Triest
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige ondertoezichtstelling ongeboren vrucht bij 16 weken zwangerschap
De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de rechtbank om een voorlopige ondertoezichtstelling uit te spreken over een ongeboren vrucht van een moeder die 16 weken zwanger was. De Raad stelde dat de ongeboren vrucht ernstig in zijn veiligheid en ontwikkeling werd bedreigd vanwege het dagelijks blowen en alcoholgebruik van de moeder, die bovendien niet meewerkte aan een veiligheidsplan en zich onbegeleidbaar opstelde. De moeder had een belast verleden, psychische problematiek, een verstandelijke beperking en justitiële problemen.
De moeder en vader betwistten de zorgen van de Raad. De moeder gaf aan inmiddels een zorgverzekering te hebben, onder behandeling te zijn bij een gynaecoloog, en hulp te ontvangen van verschillende instanties. Zij was gestopt met alcohol en GHB, maar blowde nog om rustig te worden. De vader gaf aan dat zij alles deden om de zwangerschap voorspoedig te laten verlopen.
De rechtbank overwoog dat volgens de jurisprudentie pas na 24 weken zwangerschap toepassing wordt gegeven aan artikel 1:2 BW Pro om de ongeboren vrucht als geboren aan te merken. Slechts in uitzonderlijke gevallen wordt hiervan afgeweken. Gelet op de vrijwillige hulpverlening, het contact met instanties en de inspanningen van de ouders, oordeelde de rechtbank dat er geen ernstig vermoeden bestond voor een ondertoezichtstelling. Het blowen, hoewel niet optimaal, rechtvaardigde geen voorlopige ondertoezichtstelling. Het verzoek van de Raad werd daarom afgewezen. De rechtbank stelde dat bij verslechtering van de situatie een nieuw verzoek kan worden ingediend.
Uitkomst: Het verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling van de ongeboren vrucht wordt afgewezen.