Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 24 maart 2017 van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiser], te [woonplaats eiser], eiser,
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
kanleiden tot de conclusie dat er (tevens) een aanwijzing bestaat dat aan de houder van het verlof het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd, maar dat daarbij alle omstandigheden van het geval meegewogen moeten worden. De rechtbank is van oordeel dat de omstandigheden van het onderhavige geval geen dusdanige aanwijzing opleveren. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het een alarmrevolver betreft en dat de overtreding van het voorschrift, zoals hiervoor reeds overwogen, niet op enig moment tot gevaar voor misbruik heeft geleid. De intrekkingsgrond van artikel 7, tweede lid, onder b van de Wwm was in dit geval niet van toepassing. De staatssecretaris heeft deze intrekkingsgrond ten onrechte aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- herroept het primaire besluit;
- draagt de staatssecretaris op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eiser te vergoeden.