De zaak betreft een verzoek van de werkgever tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de werknemer, primair op grond van wanprestatie en subsidiair wegens een verstoorde arbeidsrelatie. De werkgever stelde dat de werknemer onvoldoende had voldaan aan redelijke instructies, zoals het maken van een rayonplan en het geven van een presentatie, en dat hij weigerde in gesprek te gaan, wat wanprestatie zou opleveren.
De werknemer betwistte de wanprestatie en stelde dat hij bereid was aan de opdrachten te voldoen en het gesprek aan te gaan, mits met een onafhankelijke derde aanwezig. De kantonrechter oordeelde dat hoewel de werknemer tekort was geschoten in het nakomen van bepaalde verplichtingen, deze tekortkomingen niet ernstig genoeg waren om ontbinding op grond van wanprestatie te rechtvaardigen. De loonstop door de werkgever werd als een passende maatregel gezien.
De kantonrechter stelde vast dat er sprake was van een verstoorde arbeidsrelatie en dat herplaatsing binnen een redelijke termijn niet mogelijk was. Op die grond werd de arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 mei 2016, de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij reguliere opzegging zou eindigen. Een billijke vergoeding werd niet toegekend omdat geen sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.