Uitspraak
2.De nadere beoordeling
NJ1997/560). Voor het bestaan van een nauwe persoonlijke betrekking is het bestaan van een familierechtelijke verwantschapsband tussen de man en het kind op zich niet voldoende. Deze betrekking dient te volgen uit bijkomende omstandigheden (HR 10 november 1989,
NJ1990/628, HR 24 april 1992,
NJ1992/478, HR 4 januari 1991,
NJ1991/253, HR 29 maart 2002,
NJ2002/269, HR 30 november 2007,
LJNBB9094, HR 13 juli 2012,
LJNBV7010, HR 2 november 2012,
LJNBX5798). Het oordeel dat tussen de vader en zijn biologische kind een nauwe persoonlijke betrekking bestaat kan ook worden gebaseerd op feiten of omstandigheden die deels betrekking hebben op de periode vóór de geboorte van het kind en deels op de periode daarna, in onderling verband en samenhang beschouwd (HR 19 mei 2000,
NJ2000/545). Het belang van het kind moet telkens worden afgewogen tegen het belang van alle betrokkenen (EHRM 15 september 2011, 17080/07 (
Schneider/Duitsland)).
Lebbink/Nederland)). De man kan daarom in zijn verzoek worden ontvangen.
private life(artikel 8 EVRM Pro), in het bijzonder het recht op persoonlijke identiteit, eveneens voortvloeit dat een kind het recht heeft te weten van wie het afstamt (EHRM 20 december 2007, 23890/02 (
Phinikaridou/Cyprus)). Dat recht is tevens gewaarborgd in de art. 7 en Pro 8 IVRK. Art. 1:247 lid 1 BW Pro bepaalt dat het ouderlijk gezag de plicht en het recht van de ouder omvat zijn minderjarig kind te verzorgen en op te voeden. Onder verzorging en opvoeding worden mede verstaan de zorg en de verantwoordelijkheid voor het geestelijk en lichamelijk welzijn en de veiligheid van het minderjarig kind alsmede het bevorderen van de ontwikkeling van zijn persoonlijkheid (lid 2). Tot de zorg en verantwoordelijkheid voor het geestelijk welzijn en de persoonlijke ontwikkeling van het kind behoort het geven van informatie over zijn afstamming (‘statusvoorlichting’). Het is daarom aan de ouder die het gezag uitoefent om het kind die informatie te geven. In beginsel is het aan deze ouder voorbehouden het daartoe geschikte moment te bepalen. Daarbij dient evenwel het belang van het kind voorop te staan. Ouderlijk gezag is immers weliswaar een aan de ouders toekomend ‘recht’, maar dit recht is gegeven in het belang van het kind en kan daarom niet los worden gezien van de verplichting dat belang te dienen (HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2714).
3.De beslissing
voor 1 april 2017statusvoorlichting zal geven, indien nodig onder begeleiding van een professional (e.e.a. met in achtneming van hetgeen onder 2.6.4 daarover is overwogen);
vanaf 1 april 2017, waarbij de verdere invulling – en indien partijen hiertoe toestemming verlenen intensieve oudergesprekken – zal geschieden in nader overleg tussen partijen en Juzt, in haar hoedanigheid van uitvoerster van voornoemd project (e.e.a. in achtneming van hetgeen onder 2.7.1 daarover is overwogen);
6 juni 2017 PRO FORMA, zulks in afwachting van het rapport van Juzt over het verloop van de begeleide omgang en bericht van de advocaten van partijen;