ECLI:NL:RBZWB:2016:7785
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot instelling meerderjarigenbewind wegens onvoldoende wettelijke grond
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een verzoek tot instelling van een meerderjarigenbewind over de goederen van de rechthebbende, onder gelijktijdige benoeming van een bewindvoerder. Het verzoek was gebaseerd op de stelling dat de rechthebbende door beperkte beheersing van de Nederlandse taal en financiële problemen tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen.
De rechtbank nam kennis van verklaringen van Vluchtelingenwerk en andere instanties die de problematische schuldsituatie en stress bij de rechthebbende onderbouwden. Desondanks oordeelde de kantonrechter dat het niet goed beheersen van de Nederlandse taal en de schuldenlast van circa €1.600 niet voldoen aan de wettelijke criteria voor het instellen van een meerderjarigenbewind zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW Pro.
De kantonrechter benadrukte dat de wetgever niet beoogde om personen met taalproblemen zonder geestelijke of lichamelijke beperkingen onder beschermingsbewind te plaatsen. Het verzoek werd daarom afgewezen. Tevens werd opgemerkt dat de oplossing eerder gezocht moet worden in het voorkomen van taalachterstanden dan in het instellen van bewind.
De beschikking werd op 1 december 2016 uitgesproken door kantonrechter W.E.M. Verjans tijdens een openbare zitting.
Uitkomst: Het verzoek tot instelling van meerderjarigenbewind wordt afgewezen wegens ontbreken van wettelijke gronden.