Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
uitspraak van 5 oktober 2016 van de meervoudige kamer in de zaak tussen
[naam eiseres] , te [woonplaats eiseres] , eiseres,
Procesverloop
Overwegingen
(artikel 13, tweede lid, aanhef en onder a, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder a, van de Verordening);
(artikel 13, tweede lid, aanhef en onder d, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder b, van de Verordening);
(artikel 13, tweede lid, aanhef en onder f, van de Verordening 1408/71 is vergelijkbaar met artikel 11, derde lid, aanhef en onder e, van de Verordening);
“het arrest Ten Holder een lacune in titel II van verordening nr. 1408/71 aan het licht heeft gebracht. Er is namelijk geen uitdrukkelijke bepaling die aangeeft welke wetgeving van toepassing is op personen die onder de wetgeving van een lidstaat elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet en op het grondgebied van een andere lidstaat wonen.”
“Volgens vaste rechtspraak van het Hof is artikel 13, lid 2, sub f, van verordening nr. 1408/71 zowel van toepassing op personen die definitief elke beroepswerkzaamheid hebben stopgezet, als op personen die hun beroepswerkzaamheid niet definitief hebben stopgezet (arrest van 11 juni 1998, Kuusijärvi, C-275/96, Jurispr. blz. I-3419, punten 39 en 40). Derhalve is de krachtens de algemene bevoegdheidsregels van titel II van verordening nr. 1408/71 op werklozen toe te passen wettelijke regeling in beginsel die van de lidstaat van woonplaats.”(overweging 24 en 25).
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het UWV op binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt het UWV op het betaalde griffierecht van € 46,- aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt het UWV in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 992,-.