ECLI:NL:RBZWB:2016:405
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering schadevergoeding wegens ontbreken wil duurzaam eigen gebruik woning na huurbeëindiging
De zaak betreft een vordering van de huurder op grond van artikel 7:276 BW Pro wegens vermeend ontbreken van de wil van de verhuurder om het verhuurde duurzaam in eigen gebruik te nemen na beëindiging van de huurovereenkomst. De huurovereenkomst betrof een woning met erf en weiland, die na een langdurige procedure eindigde op 1 februari 2012.
De huurder stelde dat de verhuurder niet binnen één jaar na het einde van de huur het verhuurde daadwerkelijk in gebruik had genomen, waardoor volgens het wettelijke bewijsvermoeden van artikel 7:276 lid 2 BW Pro de wil tot duurzaam eigen gebruik ontbrak. De huurder vorderde daarom ruim € 92.000 aan schadevergoeding.
De verhuurder voerde aan dat zij direct na het arrest van het hof maatregelen heeft genomen voor renovatie, sloop en nieuwbouw van de woning, waaronder het inschakelen van een bouwkundig adviesbureau en het aanvragen van vergunningen. De nieuwe woning werd medio 2015 opgeleverd en bewoond door de verhuurder. De rechtbank oordeelde dat het feitelijk gebruik ook het voorbereidend bouwproces omvat en dat het wettelijke bewijsvermoeden niet opgaat.
De rechtbank concludeerde dat de wil tot duurzaam eigen gebruik bij de verhuurder aanwezig was en wees de vordering van de huurder af. De huurder werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot schadevergoeding wegens ontbreken van de wil tot duurzaam eigen gebruik wordt afgewezen.