Uitspraak
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het hem zowel primair als subsidiair tenlastegelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde de zaak tegen verdachte, die werd verdacht van het opzettelijk voordeel trekken uit verduistering gepleegd door zijn echtgenote, en subsidiair van diefstal van geld van haar opa.
De echtgenote van verdachte was veroordeeld voor verduistering van ruim €130.000 van haar opa. Verdachte werd beschuldigd van het profiteren van dit verduisterde geld door onder meer luxe goederen aan te schaffen en hypotheekbetalingen te doen. De officier van justitie baseerde zich op verklaringen van de echtgenote die verdachte onder druk zou hebben gezet om geld te regelen.
De verdediging stelde dat verdachte geen weet had van de herkomst van het geld en zich niet met de bankzaken bezighield. De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond dat verdachte opzettelijk voordeel had getrokken of zich bemoeide met de bankzaken. Ook was niet gebleken dat verdachte een bankpas van de opa gebruikte. Daarom werd verdachte vrijgesproken van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit.
Verder werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat het strafproces niet voorziet in het overnemen van de positie van de benadeelde door erfgenamen na overlijden van het slachtoffer. De vordering kan bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens ontbreken bewijs voor opzet en betrokkenheid bij verduistering en diefstal.