De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde op 14 april 2016 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het vervaardigen en bezitten van kinderporno, bestaande uit foto’s en filmopnamen van een minderjarige onder de douche. Verdachte ontkende seksuele intenties en verklaarde dat de beelden slechts herinneringen aan een samenzijn waren. De afbeeldingen waren vernietigd voordat derden deze konden zien.
De rechtbank moest beoordelen of de beelden seksuele gedragingen bevatten zoals bedoeld in artikel 240b Sr. De Hoge Raad stelt dat dit moet blijken uit de afbeelding zelf of de context waarin deze is gemaakt. Omdat de beelden niet beschikbaar waren, kon de rechtbank niet vaststellen of het om seksuele gedragingen ging.
Het dossier bood onvoldoende aanknopingspunten om het bezit van kinderporno wettig en overtuigend te bewijzen. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. Tevens wees de rechtbank de vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke straffen af, omdat het tenlastegelegde feit niet bewezen was.