Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
2.De feiten
- faillietverklaring;
- (…)
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Partijen sloten op 1 oktober een kredietovereenkomst waarbij de bank een krediet in rekening-courant verstrekte aan gedaagde voor zijn eenmanszaak. Na faillissement van gedaagde in februari 2013 werd de vordering van de bank ingediend bij de curator. Na opheffing van het faillissement vorderde de bank betaling van de hoofdsom vermeerderd met contractuele rente en een boeterente van 11,1%.
Gedaagde erkende de hoofdsom maar betwistte de exorbitante rente en stelde dat de bank haar zorgplicht had geschonden door niet mee te werken aan een afbetalingsregeling. De rechtbank oordeelde dat de hoofdsom toewijsbaar is en dat de contractuele rente gegrond is, maar dat de boeterente buitensporig is en matiging naar de wettelijke handelsrente op zijn plaats is.
Verder wees de rechtbank de vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten af en veroordeelde gedaagde in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde is afgewezen.
Uitkomst: De rechtbank matigt de boeterente naar de wettelijke handelsrente en veroordeelt gedaagde tot betaling van de hoofdsom en contractuele rente.