Eiseres en gedaagde hadden een affectieve relatie die in 2005 werd beëindigd. Tijdens de relatie sloot eiseres een spaarpolis af waarbij gedaagde als begunstigde en tweede verzekeringnemer stond voor het risicodeel. Eiseres wenst het opgebouwde kapitaal aan zichzelf uit te keren en vordert medewerking van gedaagde tot wijziging van de polis.
Gedaagde weigert mee te werken en vordert onder meer de helft van de waarde van de polis per 1 januari 2005, stellende dat het de bedoeling was hem na overlijden van eiseres te verzorgen. De rechtbank onderzoekt de bedoeling van de polis en concludeert dat het spaardeel primair ten behoeve van eiseres was en dat het risicodeel met gedaagde als begunstigde niet meer relevant is na beëindiging van de relatie.
De rechtbank acht de stelling van gedaagde dat hij mede door zijn inspanningen recht heeft op de helft van de waarde onvoldoende onderbouwd. Eiseres heeft het grootste deel van de kosten gedragen en de polispremies betaald. De vordering van eiseres tot medewerking aan de wijziging wordt toegewezen, terwijl de vordering van gedaagde tot vergoeding wordt afgewezen.