Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een groothandel in ferrometalen, betwist de crisisheffing van €6.615 die zij heeft afgedragen als onderdeel van de loonbelasting over maart 2013. Zij stelt dat de heffing niet is toegestaan binnen de Wet op de loonbelasting 1964 en dat deze in strijd is met het gelijkheidsbeginsel en het EVRM, onder meer vanwege terugwerkende kracht en onevenredige last.
De rechtbank verwijst naar haar eerdere uitspraak van 8 april 2015 en bevestigt dat de crisisheffing een wettelijke grondslag heeft en binnen de ruime beoordelingsmarge van de wetgever valt. De rechtbank oordeelt dat het onderscheid naar soort inkomen en de toepassing van de crisisheffing niet onrechtmatig is en dat er geen strijd is met artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM.
Verder weegt de rechtbank alle relevante feiten, waaronder de verhouding van de crisisheffing tot de totale loonsom en het feit dat werkgevers ruim tijd hadden zich voor te bereiden. De heffing van minder dan 1% van de loonsom wordt niet als een buitensporige last gezien. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de heffing van de crisisheffing loonbelasting.