ECLI:NL:RBZWB:2015:512
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Voorlopige voorziening
- M.W.C. Soltysik
- D. Hund
- M.M. de Werd
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van voorlopige voorziening na uitspraak in hoofdzaak belastingzaak
In deze bestuursrechtelijke zaak heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 28 januari 2015 uitspraak gedaan over een verzoek tot voorlopige voorziening in een belastinggeschil. Het verzoek werd gedaan door belanghebbende, een BV gevestigd te een plaats, tegen de inspecteur van de Belastingdienst.
Tijdens de zitting op 14 januari 2015 was namens de inspecteur een vertegenwoordiger aanwezig, terwijl belanghebbende niet is verschenen. De rechtbank overwoog dat nu er reeds een uitspraak in de hoofdzaak is gedaan, het belang van belanghebbende om een voorlopige voorziening te treffen is komen te vervallen conform artikel 8:85, tweede lid, aanhef en letter c, van de Algemene wet bestuursrecht.
Op grond hiervan verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de voorzitter en twee rechters en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.
Uitkomst: Het beroep op voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens vervallen belang na uitspraak in de hoofdzaak.