Op 2 maart 2015 werden in het bedrijfspand van klager goederen in beslag genomen op grond van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet, dat strafbaarstelling regelt van handelingen ter voorbereiding van illegale hennepteelt.
Klager stelde dat zijn internetwinkel per 1 maart 2015 was gesloten en dat hij geen goederen meer verkocht die bestemd konden zijn voor hennepteelt. Hij had nog wel goederen voorhanden, maar wilde deze niet meer verkopen tenzij aan bedrijven die zich niet bezighouden met hennepteelt. De officier van justitie meende dat de goederen wel degelijk als hennepgerelateerd konden worden beschouwd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter tot verbeurdverklaring zou komen.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het niet van de rechter kan worden verlangd om vooruit te lopen op een hoofdzaak. Gezien de verklaringen van klager en zijn medewerkers, en het ontbreken van nadere onderzoeken, was onvoldoende bewijs dat klager wist of ernstige reden had te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor beroepsmatige hennepteelt.
Het enkele feit dat goederen geschikt waren voor hennepteelt is onvoldoende om criminele intentie aan te nemen. Daarom achtte de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de goederen zou verbeurdverklaren of onttrekken aan het verkeer. Het klaagschrift werd gegrond verklaard en de goederen werden aan klager teruggegeven.