ECLI:NL:RBZWB:2015:4948

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
21 juli 2015
Publicatiedatum
27 juli 2015
Zaaknummer
15-601
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Ebben
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11a OpiumwetArt. 11 OpiumwetArt. 3 OpiumwetArt. 94 SvArt. 552a Wetboek van Strafvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Teruggave inbeslaggenomen goederen wegens ontbreken criminele intentie hennepteelt

Op 2 maart 2015 werden in het bedrijfspand van klager goederen in beslag genomen op grond van het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet, dat strafbaarstelling regelt van handelingen ter voorbereiding van illegale hennepteelt.

Klager stelde dat zijn internetwinkel per 1 maart 2015 was gesloten en dat hij geen goederen meer verkocht die bestemd konden zijn voor hennepteelt. Hij had nog wel goederen voorhanden, maar wilde deze niet meer verkopen tenzij aan bedrijven die zich niet bezighouden met hennepteelt. De officier van justitie meende dat de goederen wel degelijk als hennepgerelateerd konden worden beschouwd en dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter tot verbeurdverklaring zou komen.

De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat het niet van de rechter kan worden verlangd om vooruit te lopen op een hoofdzaak. Gezien de verklaringen van klager en zijn medewerkers, en het ontbreken van nadere onderzoeken, was onvoldoende bewijs dat klager wist of ernstige reden had te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor beroepsmatige hennepteelt.

Het enkele feit dat goederen geschikt waren voor hennepteelt is onvoldoende om criminele intentie aan te nemen. Daarom achtte de rechtbank het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter de goederen zou verbeurdverklaren of onttrekken aan het verkeer. Het klaagschrift werd gegrond verklaard en de goederen werden aan klager teruggegeven.

Uitkomst: Het klaagschrift wordt gegrond verklaard en de inbeslaggenomen goederen worden aan klager teruggegeven.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team strafrecht
Locatie Breda
Bd-nummer:3250-862-15
rk-nummer: 15/601
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering
Beslissing op het klaagschrift ex artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering (Sv), ingekomen ter griffie op 17 april 2015, met betrekking tot voorwerpen, in beslag genomen in de zaak:
[klager] ,
geboren op [geboortedag] 1985,
wonende te [woonplaats] ,
handelend als eigenaar van handelsonderneming [naam handelsonderneming] te [woonplaats] ,
woonplaats kiezende ten kantore van mr. M. Veldman, Plantage Middenlaan 10, 1018 DD Amsterdam.
Klager is [klager] voornoemd.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit de volgende stukken:
  • het klaagschrift, dat - ondertekend door of namens klager - tijdig is ingediend ter griffie van het op grond van artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering bevoegde gerecht;
  • de kennisgeving inbeslagneming;
  • het proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 23 juni 2015, waaruit blijkt dat de officier van justitie, klager en zijn raadsman mr. Veldman zijn gehoord.

2.De beoordeling

Namens klager is aangevoerd dat op 2 maart 2015 in zijn bedrijfspand aan de [adres] een groot aantal goederen in beslag is genomen in het kader van het nieuwe wetsartikel 11a van de Opiumwet. Klager betwist dat hij in strijd met dit wetsartikel heeft gehandeld. Klager heeft aangevoerd dat hij in zijn eenmanszaak [naam handelsonderneming] geen goederen meer verkocht die bestemd konden zijn voor de hennepteelt. Klager heeft verklaard dat hij wist van de nieuwe wetgeving en daarom zijn webshop had gesloten en geen verkopen meer deed vanaf 1 maart 2015. Hij had wel goederen nog voorhanden, maar wilde deze niet meer verkopen tenzij hij dat kon doen aan (internationale) bedrijven die zich niet bezighouden met hennepteelt. Klager verzoekt om teruggave van alle goederen.
De officier van justitie heeft in raadkamer gesteld dat de goederen die bij de controle bij [naam handelsonderneming] werden aangetroffen, in combinatie met elkaar zeker als “hennep gerelateerd” kunnen worden beschouwd. Het ging om grote aantallen goederen. Gelet hierop, is de officier van justitie van mening dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, komt tot verbeurdverklaring danwel onttrekking aan het verkeer van de goederen. Derhalve dient het klaagschrift volgens de officier van justitie ongegrond te worden verklaard.
De raadsman heeft in raadkamer betoogd dat niet is bewezen dat klager zich schuldig heeft gemaakt aan handelen in strijd met artikel 11a van de Opiumwet. Hij verkocht immers geen goederen meer en zijn webwinkel was gesloten. Derhalve is er enkel sprake geweest van voorhanden hebben, maar klager heeft niet de bedoeling gehad de goederen in te zetten voor bedrijfsmatige teelt. Voorts is overwogen dat geen van de in het bedrijfspand aangetroffen verkoopwaar uitsluitend geschikt is voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. De goederen zijn voor meerdere doeleinden geschikt.
De rechtbank overweegt als volgt.
De Opiumwet is gewijzigd bij “Wet van 12 november 2014 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de strafbaarstelling van handelingen ter voorbereiding of vergemakkelijking van illegale hennepteelt”. Hierbij is een nieuw artikel ingevoegd dat luidt:
Artikel 11a
Hij die stoffen of voorwerpen bereidt, bewerkt, verwerkt, te koop aanbiedt, verkoopt, aflevert, verstrekt, vervoert, vervaardigt of voorhanden heeft dan wel vervoermiddelen, ruimten, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft of gegevens voorhanden heeft, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van een van de in artikel 11, derde en vijfde lid, strafbaar gestelde feiten, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste drie jaar of geldboete van de vijfde categorie.
In artikel 11, derde lid, van de Opiumwet wordt strafbaar gesteld het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl artikel 11, vijfde lid, van de Opiumwet betrekking heeft op het handelen in strijd met (onder meer) een in artikel 3, onder B, gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van een middel.
Het nieuwe artikel 11a van de Opiumwet is met ingang van 1 maart 2015 in werking getreden.
Het beslag op de goederen is gelegd op grond van artikel 94 Sv Pro.
De rechtbank dient na te gaan of het belang van strafvordering verlangt dat het beslag wordt voortgezet. Hiervan is sprake wanneer het in beslag houden van het voorwerp kan dienen om de waarheid aan de dag te brengen of om wederrechtelijk voordeel aan te tonen dan wel wanneer niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen.
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer wegens de verdenking van overtreding van artikel 11a van de Opiumwet.
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (HR 2 juli 2013, NJ 2013, 578).
Bij de beoordeling van de vraag of het al dan niet hoogst onwaarschijnlijk moet worden geacht dat de strafrechter, later oordelend, tot verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer zal komen, dient de rechtbank na te gaan of er aanwijzingen zijn dat klager de inbeslaggenomen goederen voorhanden had, terwijl hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Blijkens de parlementaire geschiedenis moet sprake zijn van zowel een criminele intentie als de daaruit voortvloeiende handeling.
Klager heeft bij de politie reeds verklaard dat zijn internetwinkel dicht was en hij vanaf 1 maart 2015 geen goederen meer verkocht. Op het moment dat de politie ter plaatse kwam op 2 maart 2015 waren klager en zijn medewerkers bezig met het inventariseren van wat er nog lag. Een medewerker van klager heeft dit in zijn verhoor bij de politie bevestigd. De officier van justitie heeft geen nader onderzoek verricht naar deze verklaring. De rechtbank zal klager daarom volgen in zijn verklaring dat zijn internetwinkel gesloten was per 1 maart 2015. Daarvan uitgaande bevinden zich in het dossier onvoldoende aanwijzingen dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt en dat klager dit wist of ernstige reden had om dit te vermoeden. Het enkele feit dat klager goederen voor handen heeft gehad die geschikt zijn voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt is onder deze omstandigheden onvoldoende om een criminele intentie aan te nemen. Gelet daarop acht de rechtbank het op basis van het thans beschikbare dossier hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen goederen zal verbeurd verklaren of zal onttrekken aan het verkeer. Ook overigens is niet gebleken van een strafvorderlijk belang bij handhaving van het beslag. Derhalve dient het klaagschrift gegrond te worden verklaard.

3.De beslissing

De rechtbank verklaart het klaagschrift gegrond en gelast de teruggave van de inbeslaggenomen goederen aan klager.
Deze beslissing is op 21 juli 2015 gegeven door mr. Ebben, rechter, in tegenwoordigheid van
Schuurmans, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 juli 2015.
INFORMATIE RECHTSMIDDEL
Tegen deze beslissing kan door het Openbaar Ministerie binnen veertien dagen na dagtekening van deze beslissing en door de klager binnen veertien dagen na de betekening van deze beslissing
beroep in cassatieworden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden te 's-Gravenhage (artikel 552d lid 2 Wetboek van Strafvordering)