Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende heeft voor de jaren 2009 en 2010 bedragen uitgekeerd aan een algemeen nut beogende instelling (ANBI), de Stichting, en wenst deze uitkeringen ten laste van haar belastbare winst te brengen op grond van artikel 9, eerste lid aanhef en onder h van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (Wet Vpb).
De rechtbank beoordeelt of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat haar werkzaamheden nagenoeg uitsluitend gericht zijn op de verkrijging van gelden die zullen worden uitgekeerd aan de Stichting en of de niet-uitgekeerde winsten redelijkerwijs noodzakelijk waren voor de continuïteit van de onderneming. De rechtbank constateert dat belanghebbende slechts een deel van de winst heeft uitgekeerd, terwijl een aanzienlijk deel is aangehouden.
Uit de financiële gegevens blijkt een uitstekende solvabiliteit, aanzienlijke liquide middelen en een substantieel eigen vermogen. De enkele verklaring dat winsten zijn aangehouden voor continuïteit is onvoldoende onderbouwd. Ook de statutaire bepaling over uitkering bij ontbinding is niet relevant voor de uitkering van winsten tijdens het bestaan van de vennootschap.
Daarom oordeelt de rechtbank dat niet is voldaan aan de voorwaarden van artikel 9 Wet Pro Vpb en verklaart zij de beroepen ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De beroepen worden ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat de werkzaamheden nagenoeg uitsluitend gericht zijn op verkrijging van gelden die aan de ANBI worden uitgekeerd.