Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding van 15 april 2015 met producties 1 tot en met 15,
- de brief van Lindensteyn van 17 april 2015 met producties 1 tot en met 7,
- het faxbericht van [eiser] van 17 april 2015 met productie 16,
- de mondelinge behandeling op 20 april 2015,
- de pleitnota van [eiser] en de ter zitting overgelegde productie 17,
- de pleitnota van Lindensteyn,
2.Het geschil
3.De beoordeling
gespecificeerdopgave te doen van inkomsten en vermogen, terwijl [eiser] in de overweging 3.12. van dat vonnis concreet is tegengeworpen dat hij door niet de namen van personen die zijn gezin van levensonderhoud voorzien en de door hen betaalde bedragen en bijbehorende betaaldata te noemen, Lindensteyn de mogelijkheid ontneemt te beoordelen of [eiser] werkelijk geen voor verhaal vatbaar vermogen heeft. Het moest [eiser] dan ook duidelijk zijn welke informatie in ieder geval van hem op grond van dat vonnis werd verlangd. Vaststaat dat hij deze informatie niet voor of ten tijde van de gijzeling heeft verstrekt en hij aldus niet aan het veroordelend vonnis heeft voldaan. Dat niet op korte termijn tot gijzeling is overgegaan vindt zijn oorzaak in het feit dat [eiser] niet vindbaar was. Dit alles brengt mee dat van misbruik van recht of handelen in strijd met de redelijkheid in billijkheid geen sprake is.
€ 816,=