Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, ondernemer in de zin van de Wet inkomstenbelasting 2001, had per 1 januari 2011 een oudedagsreserve (FOR) van €11.811 en een ondernemingsvermogen van €16.463 aan het einde van 2011. In 2011 behaalde hij een winst van €139.718 en betaalde lijfrentepremies van €11.803. In zijn aangifte gaf hij een toevoeging aan de FOR van €11.882 aan en een gelijktijdige onttrekking van €11.803 wegens omzetting van de FOR in een lijfrente. De inspecteur beperkte de toevoeging tot €4.652 op grond van de vermogenstoets (art. 3.68 lid 2 Wet IB 2001).
Belanghebbende stelde primair dat de toevoeging aan de FOR niet beperkt zou moeten worden omdat de netto toevoeging de FOR niet boven het ondernemingsvermogen zou brengen. Dit standpunt werd verworpen omdat de wetstekst de bruto toevoeging als maatstaf hanteert en de omzetting van de FOR in een lijfrente een gelijke afname vereist. Subsidiair voerde belanghebbende aan dat het niet redelijk is dat het gebruik van de FOR voor een lijfrente wordt bestraft, maar ook dit werd niet gevolgd.
De rechtbank oordeelde dat de wettekst en het systeem van de FOR-regeling duidelijk maken dat de vermogenstoets de bruto toevoeging beperkt tot het verschil tussen het ondernemingsvermogen en de aanvangsreserve. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat het verschil in behandeling voortvloeit uit een feitelijk en juridisch relevant onderscheid, namelijk de omzetting van de FOR in een lijfrente.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De toevoeging aan de oudedagsreserve in 2011 wordt beperkt tot €4.652 op grond van de vermogenstoets.