Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een WSW-instelling, maakte bezwaar tegen de beschikking gedifferentieerde premie (GDP) WAO 2013, waarin het premiepercentage werd vastgesteld op 0,68%. Het geschil betrof de vraag of de arbeidsongeschiktheidslasten van het WSW-personeel doorberekend moeten worden in de premiestelling van het ambtelijk personeel, nu beide groepen vanaf 2013 onder één sector (sector 66) zijn samengebracht.
Belanghebbende stelde dat deze systematiek niet redelijk is, omdat de WSW-werknemers zelf een vervangende premie verschuldigd zijn op grond van artikel 38a van de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv), terwijl hun lasten toch worden meegenomen in de berekening van het premiepercentage voor het ambtelijk personeel. De inspecteur had de berekening volgens de wettelijke voorschriften correct toegepast.
De rechtbank oordeelde dat hoewel de systematiek in dit geval niet redelijk uitpakt, zij gebonden is aan de wet en de innerlijke waarde of billijkheid van de wet niet mag toetsen. Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd mondeling gedaan op 14 oktober 2014 door rechter D. Hund in aanwezigheid van griffier M.S.J. Pijnenburg-Braspenning.
Uitkomst: Het beroep tegen de beschikking gedifferentieerde premie WAO 2013 wordt ongegrond verklaard.