Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, de langstlevende echtgenoot, was gehuwd onder huwelijkse voorwaarden met de erflater die in 2011 overleed. Uit het testament van de erflater volgde dat de overige erfgenamen een geldvordering op belanghebbende hadden, waarvan de helft pas één jaar na overlijden opeisbaar werd en de rest twee jaar na overlijden.
Belanghebbende stelde dat de schuld van €713.132, die zij had aan de stiefkinderen, op de peildatum (1 januari 2012) in aftrek kon worden gebracht bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3), omdat volgens haar de vordering al deels opeisbaar was vóór het overlijden.
De rechtbank overwoog dat op de peildatum de vorderingen en corresponderende schulden niet opeisbaar waren en dat de wet en wetsgeschiedenis duidelijk maken dat defiscalisering alleen geldt voor niet-opeisbare vorderingen. Pas vanaf het moment dat de vordering opeisbaar wordt, vervalt de defiscalisering. Daarom behoort de schuld niet tot de grondslag sparen en beleggen en kan deze niet in aftrek worden gebracht.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende tegen de weigering tot aftrek van de schuld is ongegrond verklaard.