Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- de dagvaarding
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid ex artikel 208 Rv Pro
- de antwoordconclusie na incident.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze civiele procedure vordert eiseres, een besloten vennootschap, betaling van €62.000,- van gedaagde, erfgename van haar overleden echtgenoot die bij eiseres in dienst was. Eiseres stelt dat de echtgenoot tijdens zijn dienstbetrekking contante betalingen ontving die niet aan haar zijn afgedragen, en baseert haar vordering op onrechtmatige daad en ongerechtvaardigde verrijking.
Gedaagde betwist de bevoegdheid van de civiele sector en vordert verwijzing naar de kantonrechter, omdat de vordering voortvloeit uit de arbeidsovereenkomst en zij een reconventionele vordering wegens te weinig betaald loon wil instellen. De rechtbank overweegt dat de vordering feitelijk gebaseerd is op de arbeidsovereenkomst en dat de erfgename van rechtswege de positie van haar overleden echtgenoot inneemt.
Daarom is de kantonrechter exclusief bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De rechtbank wijst het incident toe, veroordeelt eiseres in de proceskosten en verwijst de hoofdzaak naar de kamer voor kantonzaken. Partijen worden geïnformeerd over de procedurele gevolgen en het griffierecht.
Uitkomst: De rechtbank verwijst de zaak naar de kamer voor kantonzaken en wijst de incidentele vordering toe.