ECLI:NL:RBZWB:2014:4515

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
7 mei 2014
Publicatiedatum
7 juli 2014
Zaaknummer
C/02/269876 / HA ZA 13-708
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:45 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onrechtmatige daad en niet-ontvankelijkheid verhaal op tweede vennootschap na activa-passiva transactie

Eiseres had een vonnis tegen de eerste vennootschap verkregen, maar deze betaalde niet. Zij probeerde verhaal te halen op een tweede vennootschap en de bestuurders, stellende dat de overdracht van activa en passiva een schijnhandeling was om betaling te ontlopen.

De rechtbank stelde vast dat de tweede vennootschap een voortzetting was van de eerste, met dezelfde activiteiten en een rechtsgeldige overeenkomst waarbij betaling had plaatsgevonden. Er was geen sprake van schijnhandeling. De eerste vennootschap bood geen verhaal omdat haar activa verpand waren aan de bank en zij een negatief banksaldo had.

De vordering wegens onrechtmatige daad faalde omdat eiseres geen schade leed door de overdracht. De rechtbank wees de vorderingen af en veroordeelde eiseres in de proceskosten. Het vonnis werd gewezen door mr. H.A. Witsiers en op 7 mei 2014 uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Zittingsplaats: Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/02/269876 / HA ZA 13-708
Vonnis van 7 mei 2014
in de zaak van

1.[eiser sub 1],

wonende te[woonplaats],
2.
[eiser sub 2],
gevestigd te Bergen op Zoom,
eisers,
advocaat mr. J.A.H.M. Janssen te Rotterdam,
tegen

1.[gedaagde sub 1],

gevestigd te Sint-Annaland,
2.
COROBSAN HOLDING B.V.,
gevestigd te Sint-Annaland,
3.
[gedaagde sub 3],
wonende te Sint-Annaland,
4.
[gedaagde sub 4],
gevestigd te Bergen op Zoom,
5.
[gedaagde sub 5],
wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. C.G. Huijsmans te Bergen op Zoom.
Partijen zullen hierna [eisers] voor eisers en [gedaagden] voor gedaagden genoemd worden, tenzij het voor de duidelijkheid nodig is een eiser of gedaagde met name te noemen.

1.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de tussenvonnissen van 4 december 2013 en 22 januari 2014
  • het proces-verbaal van comparitie van 26 februari 2014.

2.De feiten

2.1.
Op 3 april 2013 heeft de kantonrechter te Bergen op Zoom op vordering van [eisers], [gedaagde sub 1] veroordeeld tot betaling van totaal in hoofdsom €34.000,-. Het vonnis is betekend. [gedaagde sub 1] heeft niet betaald. [eisers] heeft zonder resultaat beslag gelegd onder de bank en op roerende zaken.
2.2.
[gedaagde sub 3] is directeur van Corobsan Holding B.V.. Deze vennootschap is enig directeur/aandeelhouder van [gedaagde sub 1], tot 8 mei 2009 in het handelsregister [naam BV] genaamd.
[gedaagde sub 5] is de zoon van[gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 5] is directeur/aandeelhouder van [gedaagde sub 4]
2.3.
[gedaagde sub 4] is opgericht in september 2012. [gedaagde sub 4] is gevestigd aan de [vestigingsadres]. Tot 31 december 2012 was daar gevestigd [gedaagde sub 1] Laatstgenoemde vennootschap is verhuisd naar [vestigingsadres], het woonadres van [gedaagde sub 1]. Ook Corobsan B.V. is op dat adres gevestigd.
2.4.
De onderhandse verkoopwaarde van de magazijnvoorraad van [gedaagde sub 1] is door het taxatiebureau Troostwijk gewaardeerd op €10.000,-. Het taxatierapport dateert van 19 december 2012.
In verband met de overname is de goodwill door de accountant van [gedaagden] op €50.000,- gewaardeerd, het onderhanden werk op €27.778,24.
2.5.
[eisers] heeft per brief van 19 augustus 2013 de overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] buitengerechtelijk vernietigd.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] vordert samengevat:
  • te verklaren voor recht dat de overeenkomst van 31 december 2012 tussen[gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] nimmer rechtsgeldig tot stand is gekomen, dan wel dat deze buitengerechtelijk is vernietigd, dan wel gerechtelijk wordt vernietigd;
  • te verklaren voor recht dat het door [eisers] onder [gedaagde sub 4] gelegde beslag de facto te gelden heeft als een beslag onder [gedaagde sub 1];
  • te verklaren voor recht dat gedaagden jegens [eisers] onrechtmatig hebben gehandeld;
  • gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van €44.697,45 vermeerderd met rente en kosten waaronder die van de gelegde beslagen en de proceskosten.
3.2. Ter onderbouwing van haar vorderingen stelt [eisers] het volgende. [gedaagde sub 4] is een voortzetting van [gedaagde sub 1] met als doel te ontkomen aan het veroordelend vonnis van de kantonrechter van 3 april 2013. De bedrijfsactiviteiten van de twee ondernemingen zijn vrijwel dezelfde. Zij verwijst naar de website, het vestigingsadres en de activiteiten van de ondernemingen die op hetzelfde gebied liggen. Bovendien werkt [gedaagde sub 3] ook op het adres van [gedaagde sub 4] De overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] is niet rechtsgeldig althans door haar buitengerechtelijk vernietigd.
Corobsan is aansprakelijk omdat zij als bestuurder heeft meegewerkt aan de schijnconstrcutie. Hetzelfde geldt voor [gedaagde sub 3], [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 5].
3.3.
[gedaagden] verweert zich. Aan [gedaagde sub 3] ([gedaagde sub 3]) was al eerder het advies gegeven zich te concentreren op een andere onderneming van hem, namelijk de bouwmarkt. Toen [gedaagde sub 5] zijn diploma’s had kon hij de onderneming van zijn vader overnemen. Dat was in 2012. Door die overname is [eisers] niet benadeeld. [gedaagde sub 1] werkte met bankkrediet en had al haar de roerende goederen verpand aan de bank tot zekerheid van dat krediet. Ook de bedrijfsmiddelen van Corobsan B.V. vielen onder dat pandrecht. Onder verwijzing naar haar bankafschriften stelt [gedaagden] dat het krediet altijd negatief is geweest en er voor [eisers] geen verhaal mogelijk was. [gedaagden] wijst erop dat [eisers] de waarde van de transactie niet betwist.
[gedaagden] wijst er verder op dat de voorraad van [gedaagde sub 1] is gewaardeerd door een erkend taxatiebureau. De waarde van de goodwill en het onderhanden werk is in overleg met de accountant tot standgekomen. De bedragen zijn ook daadwerkelijk betaald.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde sub 4] verricht dezelfde soort werkzaamheden als [gedaagde sub 1]. De handelsnaam van [gedaagde sub 4] is “[gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 1].”. Het internetadres is [internetadres]”. De websites van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4] zijn identiek. [gedaagde sub 3], indirect directeur/aandeelhouder van [gedaagde sub 1], heeft zelf verklaard dat hij al eerder in 2011 het advies had gekregen te stoppen met [gedaagde sub 1] en zich te concentreren op een andere onderneming van hem, de bouwmarkt. Zo verklaart hij de overname door [gedaagde sub 4] waarvan zijn zoon [gedaagde sub 5] directeur/aandeelhouder is. Ook de door [gedaagden] overgelegde brief van haar accountant (prod. 5 bij dagv.) verwijst naar voortzetting van het installatiebedrijf door [gedaagde sub 5] op eigen naam. Geadviseerd wordt een activa/passiva transactie. [gedaagde sub 4] is dus een voortzetting van [gedaagde sub 1]. Die voortzetting is tot stand gekomen door een rechtsgeldige overeenkomst, beide partijen beoogden de overdracht. Er is dus geen sprake van een schijnhandeling. Er is ook uitvoering aan de overeenkomst gegeven. [gedaagde sub 4] heeft betaald voor de voorraad zoals die door taxateur Troostwijk was bepaald, voor het onderhanden werk en voor de goodwill. Dit blijkt uit de overgelegde bankafschriften.
Deze overeenkomst is door [eisers] buitengerechtelijk vernietigd wegens benadeling. De vraag is dus of haar vordering zonder die transactie wel verhaalbaar was. Het antwoord op die vraag is ook van belang voor de gestelde onrechtmatige daad.
4.2.
De vordering van [eisers] op [gedaagde sub 1], voortvloeiend uit het vonnis van de kantonrechter, is in die vennootschap achtergebleven. Die vennootschap biedt geen verhaal.
Uit de door [gedaagden] overgelegde bankafschriften van [gedaagde sub 1] blijkt dat [gedaagde sub 1] een debet saldo had bij de bank dat meestal rond de €100.000,- bedroeg en minimaal in één periode €53.376,- is geweest.
[gedaagden] heeft verder overgelegd een financieringsvoorstel van de Rabobank van 23 oktober 2008. Dit voorstel is gericht aan Corobsan Holding B.V., [naam BV](later voortgezet als [gedaagde sub 1]) en[naam BV 2] Het betrof twee leningen. De lening van €230.000,- was ten behoeve van [gedaagde sub 1] en werd onder die naam geadministreerd. Tot zekerheid van die lening heeft de bank een pandrecht bedongen op huidige en toekomstige voorraden, huidige en toekomstige inventaris en huidige en toekomstige rechten/vorderingen van [naam BV] [gedaagden] heeft eveneens overgelegd een akte van verpanding van mei 2010, waarbij [gedaagde sub 1] aan de bank de transportmiddelen, inventaris, voorraden en rechten/vorderingen verpandde.
De rechtbank trekt daaruit de conclusie dat [gedaagde sub 1] wel over eigendommen beschikte maar dat deze verpand waren aan de bank en, mede gelet op het negatieve saldo van [gedaagde sub 1], geen verhaal boden voor derden. [eisers] is dus geen verhaal ontnomen door de transactie tussen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 4].
Aan de eis van art. 3:45 BW Pro dat sprake moet zijn van benadeling, wordt niet voldaan. De vordering wegens onrechtmatige daad slaagt dan ook niet omdat er geen schade is als gevolg van de gedragingen van gedaagden.
4.3.
De vorderingen zullen worden afgewezen. [eisers] zal worden veroordeeld in de proceskosten tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] gevallen en begroot op:
advocaatkosten: €1.788,- (2 x €894,-)
griffierechten: €1.836,-

5.De beslissing

De rechtbank
wijst de vorderingen af;
veroordeelt [eisers] hoofdelijk, zo dat de een betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten tot op deze uitspraak aan de zijde van [gedaagden] gevallen, zijnde €3.624,-;
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en in het openbaar uitgesproken op 7 mei 2014.