Eiser exploiteerde een akkerbouwbedrijf en verkocht in 1995 een perceel met mestbassin, waarna hij het bassin bleef gebruiken op basis van een gebruiksovereenkomst. De gemeente stelde dat het gebruik van het bassin een verboden agrarisch hulpbedrijf was en nam diverse handhavingsbesluiten, waarvan sommige later door de bestuursrechter werden vernietigd. Uiteindelijk stelde eiser de gemeente aansprakelijk voor de schade die hij door deze besluiten zou hebben geleden.
Eiser vorderde vergoeding van schadeposten, waaronder omzetschade door het niet kunnen huren van grond, gemiste marges op mest en extra kosten voor kunstmest. De gemeente betwistte het causale verband en stelde dat het gebruik van het bassin al eerder was gestaakt door andere omstandigheden dan het besluit.
De rechtbank oordeelde dat de omzetschade niet voldoende was onderbouwd en niet aan het besluit kon worden toegerekend. De schade wegens gemiste marge op mest werd deels toegewezen, namelijk de helft van de gevorderde schadepost, omdat het besluit het gebruik van de resterende capaciteit van het bassin verbood. De schade wegens extra kunstmestkosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.
De rechtbank veroordeelde de gemeente tot betaling van €56.685,50 plus wettelijke rente vanaf 4 juni 2007 en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.