ECLI:NL:RBZWB:2014:3132

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2014
Publicatiedatum
12 mei 2014
Zaaknummer
C/12/84397 / HA ZA 12-170
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 50 Onteigeningswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Kostenveroordeling deskundigen na ontheffing wegens schijn van partijdigheid in onteigeningsprocedure

In een onteigeningsprocedure heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant bij tussenvonnis drie deskundigen, waaronder de voorzitter van de commissie, ontheven wegens schijn van partijdigheid. De voorzitter, mr. Van Mierlo, had ondanks eerdere waarschuwingen zijn werkzaamheden voortgezet, waardoor de rechtbank zijn declaratie op nihil begroot.

De andere twee deskundigen, Josiasse en Roovers, werden eveneens ontheven maar hun kosten zijn niet aan hen te wijten. De rechtbank veroordeelt de provincie als onteigenende partij tot betaling van hun declaraties van elk €4.446,75 inclusief BTW.

De provincie had betoogd dat de kosten geheel of deels voor rekening van gedaagden of de deskundigen zelf moesten komen, maar de rechtbank oordeelde dat de provincie de kosten moet dragen omdat gedaagden tijdig hun bezwaren hadden geuit en de onpartijdigheid van de voorzitter niet tijdig was gewaarborgd.

De rechtbank houdt verdere beslissingen aan en veroordeelt de provincie tot betaling van de begrote kosten van de twee deskundigen, terwijl de kosten van de voorzitter op nihil worden gesteld.

Uitkomst: De provincie wordt veroordeeld tot betaling van de kosten van twee ontheven deskundigen, terwijl de kosten van de voorzitter wegens schijn van partijdigheid op nihil worden gesteld.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Team civiel
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/12/84397 / HA ZA 12-170
Vonnis van 26 maart 2014
in de zaak van
de publiekrechtelijke rechtspersoon
DE PROVINCIE ZEELAND,
zetelend te Middelburg,
eiseres,
advocaat mr. M. Rus-van der Velde te ‘s-Gravenhage,
tegen
DE GEZAMENLIJKE ERVEN VAN [gedaagde],
laatstelijk wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. W.J. Bosma te ‘s-Gravenhage.
Partijen zullen hierna de provincie en gedaagden worden genoemd.

1.De procedure

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 11 december 2013
- de brief van mr. Van Mierlo, voorzitter van de (ontheven) deskundigencommissie, van 2 januari 2014
- de akte van de zijde van gedaagden, genomen ter rolle van 8 januari 2014
- de akte van de zijde van de provincie, genomen ter rolle van 8 januari 2014
- de antwoordakte van de zijde van gedaagden, genomen ter rolle van 22 januari 2014.

2.Het verdere geschil

2.1.
De rechtbank verwijst naar haar tussenvonnis van 11 december 2013. In voornoemd vonnis zijn mr. Van Mierlo, dhr. Josiasse en dhr. Roovers ontheven van hun taak om als deskundige in deze zaak op te treden. Met betrekking tot de reeds door de ontheven deskundigen gemaakte kosten is overwogen dat, alvorens de rechtbank hieromtrent een beslissing zal nemen, de ontheven deskundigen en partijen in de gelegenheid worden gesteld zich hierover uit te laten.
2.2.
Bij brief van 2 januari 2014 heeft mr. Van Mierlo de declaraties met bijbehorende specificaties voor de werkzaamheden van de genoemde drie deskundigen overgelegd en verzocht tot betaling over te gaan. De declaratie van mr. Van Mierlo (waarin tevens de door mr. Franssen verrichte werkzaamheden zijn begrepen) bedraagt € 20.452,35 inclusief BTW. De declaraties van de heren Josiasse en Roovers bedragen beide € 4.446,75 inclusief BTW.
2.3.
Gedaagden stellen dat de kosten van de ontheven deskundigen ingevolge de hoofdregel van artikel 50 Onteigeningswet Pro (Ow) voor rekening van de provincie dienen te komen. Eén van de in artikel 50 Ow Pro genoemde uitzonderingsgronden doet zich niet voor.
Voorzover de rechtbank van oordeel is dat deze kosten, gezien het procesverloop, voor eigen rekening van de deskundigen zouden moeten blijven, refereren gedaagden zich aan het oordeel van de rechtbank.
Naar aanleiding van de reactie van de provincie stellen gedaagden dat het betoog van de provincie een herhaling is van haar standpunten zoals die zijn verwoord in haar brief van 14 juni 2013 (welke brief een reactie inhoudt op het verzoek van mr. Bosma namens gedaagden aan de rechtbank om het ertoe te leiden dat mr. Van Mierlo zich terugtrekt als voorzitter van de deskundigencommissie). De rechtbank heeft die standpunten bij vonnis van 10 juli 2013 niet gevolgd. Er is geen reden dat nu alsnog te doen. Bovendien hebben gedaagden zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk was geklaagd over de ontstane situatie. De bezwaren zijn voor de rechtbank aanleiding geweest om te beslissen dat niet alleen mr. Van Mierlo, maar de voltallige deskundigencommissie zou moeten worden vervangen. De bezwaren van gedaagden zijn in zoverre door de rechtbank gehonoreerd. Ook in dat licht bezien valt niet goed in te zien dat de kosten van de ontheven deskundigen niettemin voor rekening van gedaagden zouden moeten komen.
2.4.
De provincie stelt zich op het standpunt dat de kosten van de ontheven deskundigen (deels) voor rekening van gedaagden dienen te komen, althans (deels) voor rekening van mr. Van Mierlo en/of de ontheven deskundigencommissie. De kosten dienen in ieder geval niet voor rekening van de provincie te komen.
De provincie heeft aan de thans ontstane situatie part noch deel gehad. Zij verwijt gedaagden dat zij pas in een heel laat stadium, na het gereedkomen van het conceptdeskundigenrapport, hun bezwaren tegen mr. Van Mierlo aan de rechtbank kenbaar hebben gemaakt. Het had in de rede gelegen dat gedaagden, nu er vóór de benoeming van mr. Van Mierlo al enige twijfels bestonden over de objectieve onpartijdigheid van mr. Van Mierlo, hun twijfels op dat moment aan de rechtbank kenbaar hadden gemaakt, althans in een eerder stadium aan de bel hadden getrokken. De thans gemaakte kosten hadden dan (grotendeels) voorkomen kunnen worden.
Gelet op de omstandigheden van het geval is het onredelijk om de tot nu toe gemaakte kosten van de deskundigen voor rekening van de onteigenende partij te laten komen.

3.De verdere beoordeling

3.1.
De rechtbank verwijst naar de inhoud van haar beslissing van 10 juli 2013.
Met betrekking tot de door mr. Van Mierlo gemaakte kosten geldt dat gedaagden hem bij brief van 20 december 2012 specifiek hebben gevraagd hoe de onafhankelijkheid wordt gewaarborgd. Zoals in de beslissing van 10 juli 2013 reeds is overwogen, had het na deze brief voor mr. Van Mierlo duidelijk moeten zijn hoe gevoelig zijn relatie met AKD in dit dossier lag.
Door desondanks gebruik te maken van de diensten van mr. Franssen en zijn werkzaamheden als voorzitter van de deskundigencommissie te (blijven) verrichten, heeft mr. Van Mierlo het risico genomen dat er gronden zouden zijn voor zijn ontheffing als deskundige. Dit risico is in de brief van 20 december 2012 tijdig aangekondigd.
Nu de bezwaren van gedaagden tegen mr. Van Mierlo als voorzitter van de deskundigencommissie bij de beslissing van deze rechtbank van 10 juli 2013 zijn gehonoreerd, heeft het risico zich gerealiseerd, hetgeen voor rekening van mr. Van Mierlo dient te blijven. Mr. Van Mierlo kan dan ook in redelijkheid geen betaling van de door hem gemaakte kosten vorderen. De door hem gemaakte kosten worden begroot op nihil.
Dit geldt niet voor (de kosten van) de deskundigen Josiasse en Roovers. Het verloop van onderhavige procedure, met als uitkomst de ontheffing van de voltallige deskundigencommissie, is niet aan hen te wijten. De door de heren Josiasse en Roovers tot nu toe gemaakte kosten dienen in redelijkheid dan ook te worden betaald. De hoogte van de declaraties is door partijen niet betwist. De door de deskundigen Josiasse en Roovers gemaakte kosten worden voor ieder afzonderlijk - conform de namens hen ingediende declaraties - begroot op € 4.446,75.
3.2.
Op grond van de hoofdregel van artikel 50 lid 1 Ow Pro komen voornoemde kosten ten laste van de onteigenende partij, de provincie. Er is geen grondslag om deze kosten ten laste van de onteigende partij, gedaagden, te laten komen.

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
begroot de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen voor mr. H.J.M. van Mierlo op nihil, voor de heer J.J. Josiasse op € 4.446,75, waarvan een gedeelte groot € 3.675,00 bestaat uit honorarium en een gedeelte groot € 771,75 bestaat uit BTW, en voor de heer G.N.A. Roovers eveneens op € 4.446,75, waarvan een gedeelte groot
€ 3.675,00 bestaat uit honorarium en een gedeelte groot € 771,75 bestaat uit BTW,
4.2.
veroordeelt de provincie in de kosten van de door de rechtbank benoemde deskundigen, zoals hiervoor onder 4.1. begroot,
4.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M.J. van Dijk, mr. H.A. Witsiers en mr. E.K. van der Lende-Mulder Smit en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2014. [1]

Voetnoten

1.FM