ECLI:NL:RBZWB:2014:3097

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
26 maart 2014
Publicatiedatum
12 mei 2014
Zaaknummer
C 02/269106 / HA ZA 13-665
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 843b Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering inzage financiële documenten ex artikel 843b Rv in alimentatieprocedure

De vrouw vordert op grond van artikel 843b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering inzage in de jaarstukken en kasstromen van de onderneming van de man over de jaren 2010 tot en met 2013, alsmede inzicht in een gezamenlijke bankrekening. Deze vordering is gericht op het verkrijgen van bewijs voor een toekomstige alimentatieprocedure.

De man betwist dat de vrouw ooit de financiële administratie van het huishouden heeft beheerd en stelt dat hij in eerdere procedures al inzage heeft gegeven in zijn financiële gegevens. Daarnaast voert hij aan dat het niet aan de vrouw is om hem nu reeds in een bewijspositie te brengen voor een eventuele wijziging van de alimentatie.

De rechtbank oordeelt dat artikel 843b Rv niet bedoeld is voor het opvragen van documenten die slechts vermoedelijk steun kunnen geven aan stellingen over hogere inkomsten. Gezien het feit dat partijen in 2010 uit elkaar zijn gegaan en het nu 2014 is, is het belang van de vrouw onvoldoende onderbouwd. De vrouw kan in een eventuele nieuwe procedure alsnog de benodigde bewijsstukken overleggen.

Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt de vrouw in de proceskosten van de man, begroot op € 979,00. Het vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers en op 26 maart 2014 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot inzage in financiële documenten af wegens onvoldoende belang en veroordeelt de vrouw in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Civiel recht
Zittingsplaats: Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C 02/269106 / HA ZA 13-665
vonnis van 26 maart 2014
in de zaak van
[eiseres],
wonende te [woonplaats],
eiseres,
advocaat: mr. F.C.M. Maat-Oldenhof te ’s-Heer Arendskerke,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
advocaat: mr. W. Tiggelaar te Middelburg.
Partijen zullen hierna de vrouw en de man genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis van 20 november 2013;
het proces-verbaal van comparitie van 10 februari 2014.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in mei 2010 tot een einde gekomen. Uit deze relatie zijn twee, thans nog minderjarige, kinderen geboren. Partijen zorgen op basis van een co-ouderschapsregeling, ieder voor de helft van de tijd, voor de kinderen.
2.2.
Bij beschikkingen van 28 maart 2012 en 18 april 2012 heeft de rechtbank Middelburg geoordeeld over de kinderbijdrage en zorgregeling. Tegen de uitspraak met betrekking tot de kinderbijdrage (kenmerk 80043 FA-RK 11-1088) heeft de vrouw hoger beroep ingesteld. Bij beschikking van 14 februari 2012 heeft het gerechtshof ’s-Hertogenbosch – opnieuw rechtdoende – bepaald dat de man van 1 oktober 2011 tot 1 maart 2012 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van beide kinderen een bedrag dient te voldoen van € 152,50 per kind per maand, in de periode 1 mei 2012 tot 1 januari 2013, € 22.50 per kind per maand en vanaf 1 januari 2013 € 40,00 per kind per maand.

3.Het geschil

3.1.
De vrouw vordert
- dat de man volledige inzage geeft in zijn jaarstukken van [bedrijfsnaam]. over de jaren 2010 tot en met 2013, waaronder de grootboekgegevens over 2013;
- dat de man gehouden zal zijn inzicht te verschaffen in de kasstromen van die onderneming;
- dat de man inzicht verschaft in de kasstroom, althans de inkomsten, van de Nederlandse rekening die partijen altijd voor hun huishouding gebruikten en waarop de man jarenlang de saldi vanuit België heeft aangevuld, te weten rekeningnummer 97.20.91.718 van de Fortisbank, zulks vanaf mei 2010 tot en met 2013.
- dat hij hieraan voldoet binnen zeven dagen na het in deze te wijzen vonnis en op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag of gedeelte van een dag waarin hij daarmee in gebreke blijft, zulks met een maximum van € 50.000,00 met veroordeling van de man in de kosten van het geding.
3.2.
De vrouw stelt dat in de procedure tussen partijen over de hoogte van de door de man te leveren bijdrage in de kosten van opvoeding en levensonderhoud van de kinderen, zij een aantal standpunten heeft betrokken ten aanzien van de inkomstenstromen van de man. Hij heeft nagelaten daaromtrent enig inzicht te verschaffen. Haar standpunten zijn vervolgens als onvoldoende onderbouwd verworpen. De vrouw stelt dat zij daarom belang heeft bij inzicht in de gegevens. De vrouw beroept zich op artikel 843b van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) waarin is bepaald dat degene die een bewijsmiddel niet langer onder zich heeft, van degene die dat wel heeft, een afschrift kan vorderen. Zij heeft de gegevens waarvan zij afschrift verlangt, steeds ter beschikking gehad, omdat zij de financiële administratie van het huishouden beheerde. Zij had in die tijd, of rond het uiteengaan van partijen daarvan afschriften kunnen maken en zij had dan thans niet in bewijsnood verkeerd. Zij is er echter vanuit gegaan dat ook de man de belangen van de twee minderjarige kinderen voorop zou stellen en de gegevens niet zou betwisten, maar gewoon zou overleggen.
3.3.
De man betwist dat de vrouw de financiële administratie van het huishouden heeft beheerd. De administratie van de voormalige ondernemingen van de man is altijd gevoerd door de vader van de man en heeft nimmer ter beschikking gestaan van de vrouw. Bovendien kan geen sprake zijn geweest van een situatie waarin de vrouw de beschikking over de genoemde gegevens heeft gehad omdat de relatie van partijen in mei 2010 is verbroken en partijen op dat moment feitelijk uiteen zijn gegaan.
De man heeft in de procedure tot vaststelling van de kinderalimentatie inzage verstrekt in de financiële gegevens van de ondernemingen. Uit die gegevens blijkt op geen enkele wijze van de door de vrouw gestelde ander inkomens(kas)stromen. Hij betwist haar belang bij de vordering.
Tenslotte voert de man aan dat indien het de vrouw te doen is om een wijziging van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, hij in een dergelijke nieuwe procedure alsdan de nodige bewijstukken zal dienen te overleggen met betrekking tot zijn draagkracht en de behoefte van de kinderen. Het is niet aan de vrouw om de man nu reeds in die bewijspositie te duwen, hetwelk zij feitelijk beoogt met haar vorderingen.

4.De beoordeling

4.1.
De vordering van de vrouw, gebaseerd op artikel 843b Rv, wordt afgewezen. Dit artikel is niet bedoeld voor het opvragen van documenten waarvan de vrouw vermoedt dat die steun kunnen geven aan haar stellingen dat de man meer inkomsten heeft gehad dan hij in de alimentatieprocedure kenbaar heeft gemaakt.
Partijen zijn in 2010 uiteengegaan. Het zou dus om gegevens gaan tot en met dat jaar. Inmiddels is het 2014. Zij heeft onvoldoende onderbouwd wat haar rechtmatig belang is, om thans inzage in deze stukken te vorderen. Daarbij komt dat indien de vrouw een wijziging in de kinderbijdrage wenst te bewerkstelligen, zij hiertoe een procedure kan aanvangen waarin de thans gevorderde bewijsstukken mogelijk overgelegd moeten worden.
4.2.
De vrouw dient veroordeeld te worden in de kosten van deze procedure. De kosten aan de zijde van de man worden begroot op:
- griffierecht € 75,00
- salaris €
904,00(2 x € 452,00)
Totaal € 979,00

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt de vrouw in de proceskosten, aan de zijde van de man begroot op
€ 979,00;
5.3.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Witsiers, en in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2014.
hs