Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Ontstaan en loop van het geding
2.Feiten
3.Geschil
4.Beoordeling van het geschil
5.Proceskosten
6.Beslissing
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende exploiteerde een rijschool via een eenmanszaak en stelde voertuigen ter beschikking aan een vermeende vennootschap onder firma (v.o.f.) met instructeurs als vennoten. De inspecteur legde naheffingsaanslagen loonheffing, omzetbelasting, inkomstenbelasting en een vergrijpboete op wegens het niet inhouden en afdragen van loonheffing over de vergoedingen aan de instructeurs.
De rechtbank stelde vast dat de instructeurs feitelijk in dienstbetrekking stonden: belanghebbende bepaalde het aantal leerlingen, betaalde een vast netto uurloon, oefende gezag uit, en de instructeurs liepen geen ondernemersrisico. De v.o.f.-constructie was schijn, aangezien de instructeurs geen ondernemerschap uitoefenden en geen inzicht hadden in de administratie.
De rechtbank oordeelde dat het recht op inzage en het hoorrecht niet waren geschonden, dat de inspecteur niet alle stukken hoefde te overleggen en dat de vergrijpboete van 25% passend was, met een vermindering van 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn. De naheffingsaanslag werd verminderd tot € 60.018 en de boete tot € 13.503. Het beroep werd gegrond verklaard en de uitspraken op bezwaar vernietigd.
Uitkomst: De naheffingsaanslag loonheffing wordt verminderd tot € 60.018 en de vergrijpboete tot € 13.503; het beroep wordt gegrond verklaard.