Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
De rechtbank Zeeland-West-Brabant behandelde een geschil over de waarde van een woning voor de heffing van erfbelasting na het overlijden van de erflater in 2013. Belanghebbende had in de aangifte erfbelasting de vraagprijs van de woning van maart 2013 (€149.000) opgegeven, terwijl de inspecteur de WOZ-waarde voor 2013 (€198.000) als uitgangspunt nam. De waarde was na bezwaar verlaagd naar €178.000.
De rechtbank overwoog dat op grond van artikel 21, vijfde lid, van de Successiewet ook de WOZ-waarde van het kalenderjaar volgend op het jaar van verkrijging kan worden gekozen, maar deze was nog niet bekend. De rechtbank verwierp de stelling van belanghebbende dat de woning geen woning in de zin van de Wet WOZ zou zijn omdat deze leegstond en niet bewoond werd. De bestemming van de onroerende zaak is maatgevend.
Verder oordeelde de rechtbank dat de wetgever bewust heeft gekozen de WOZ-waarde als uitgangspunt te nemen voor de waardering van woningen bij erfbelasting, vanwege de praktische uitvoerbaarheid, en dat de vraagprijs niet als uitgangspunt kan dienen. De aanslag erfbelasting is daarom terecht vastgesteld op basis van de WOZ-waarde. Het beroep is ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de WOZ-waarde als uitgangspunt geldt voor de erfbelastingaanslag.