ECLI:NL:RBZWB:2013:CA3232
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- C. van Boven-Hartogh
- B.F.Th. de Roos
- A.W. Ente
- Rechtspraak.nl
Ongewenstverklaring en weigering opheffing wegens toepassing artikel 1F Vluchtelingenverdrag
Eiser, van Afghaanse nationaliteit, werd in 2008 ongewenst verklaard vanwege ernstige redenen op grond van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, die stelden dat hij betrokken was bij ernstige misdrijven. Hij verzocht om opheffing van deze maatregel, wat werd afgewezen. De rechtbank oordeelde dat de beoordeling van de toepassing van artikel 1F zorgvuldig en geïndividualiseerd was uitgevoerd en dat de aangevoerde nieuwe feiten en ambtsberichten onvoldoende waren om dit oordeel te wijzigen.
Eiser voerde aan dat zijn situatie onder de Terugkeerrichtlijn viel en dat de maatregel in strijd was met artikel 3 en Pro 8 EVRM, mede vanwege zijn onderduikstatus en de situatie van zijn familie. De rechtbank stelde echter vast dat eiser zich buiten Nederland bevond en daarom niet onder de Terugkeerrichtlijn viel, en dat de belangenafweging door verweerder zorgvuldig was gemaakt waarbij het Nederlandse staatsbelang prevaleerde.
Verder werd geoordeeld dat de hoorplicht niet was geschonden omdat het horen in bezwaar niet noodzakelijk was gezien de omstandigheden. De rechtbank bevestigde dat de weigering tot opheffing van de ongewenstverklaring rechtmatig was, mede omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden van tien jaar verblijf buiten Nederland en geen nieuwe feiten had aangedragen die een opheffing rechtvaardigen.
De rechtbank concludeerde dat de eerdere vaststelling dat artikel 1F van toepassing is op eiser standhoudt en dat de bezwaren tegen de ongewenstverklaring en het opheffingsverzoek ongegrond zijn. Het beroep werd derhalve afgewezen zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de ongewenstverklaring en het verzoek tot opheffing daarvan wordt ongegrond verklaard.