Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Beslissing
2.Gronden
2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Belanghebbende, een zelfstandig ondernemer in de landbouw sinds 2006, bracht een perceel weiland in 2006 in zijn onderneming in tegen een waarde van €31.000 per hectare. In 2009 verkocht hij dit perceel aan een koper die een manege exploiteert, voor €8,50 per m². Belanghebbende stelde dat de verkoopwinst onder de landbouwvrijstelling viel, omdat het perceel binnen de agrarische sfeer zou zijn verkocht.
De inspecteur stelde echter dat de waarde in het economische verkeer bij voortgezette agrarische bestemming (WEVAB) lager was, namelijk €5 per m², waardoor het verschil tussen de werkelijke verkoopprijs en de WEVAB belastbaar was. De rechtbank oordeelde dat belanghebbende niet aannemelijk had gemaakt dat de koper een landbouwbedrijf in de zin van de wet dreef, zodat de verkoopprijs niet als WEVAB kon worden gehanteerd.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de WEVAB bij inbreng te laag was vastgesteld en gecorrigeerd moest worden met toepassing van de foutenleer. De rechtbank vond dit niet aannemelijk, mede omdat de waarde bij inbreng was vastgesteld volgens het besluit van de staatssecretaris. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag inkomstenbelasting blijft ongewijzigd.