Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het tussenvonnis van 10 oktober 2012 en de daarin genoemde stukken;
- het proces-verbaal van de op 12 juni 2013 gehouden comparitie.
2.Het geschil
3.De beoordeling
“(…) Het vorenstaande betekent dat u en de gefailleerde hoofdelijk aansprakelijk waren voor de nakoming van de betalingsverplichting van € 272.607,04 jegens de bank. In de onderlinge verhouding tussen u en de gefailleerde hoeft de gefailleerde de helft van laatstgenoemd bedrag bij te dragen in de aflossing van die schuld, derhalve € 136.303,52. De gefailleerde heeft echter € 229.539,31 afgelost en derhalve € 93.235,79 meer dan waartoe hij in onderlinge verhouding met u verplicht was. Op grond van het bepaalde in artikel 6:12 lid 1 BW Pro is de gefailleerde gesubrogeerd in de vorderingsrechten van de bank. Als gevolg van het vorenstaande bent u verplicht het bedrag van € 93.235,79 aan de boedel te vergoeden. (…)”