ECLI:NL:RBZWB:2013:7413
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek tot omgangsregeling tussen grootmoeder en minderjarigen
De man verzocht de rechtbank om een omgangsregeling vast te stellen tussen de grootmoeder van vaderszijde en de minderjarige kinderen, waarbij de kinderen regelmatig bij de grootmoeder zouden verblijven. De rechtbank oordeelde dat dit verzoek niet-ontvankelijk is omdat de man niet heeft aangetoond dat het geschil betrekking heeft op de gezamenlijke gezagsuitoefening van de ouders, zoals vereist op grond van artikel 1:253a BW.
Partijen waren gehuwd geweest en hebben gezamenlijk gezag over de minderjarigen. De kinderen verblijven in een pleeggezin, maar dit maakt het verzoek niet ontvankelijk. De rechtbank benadrukte dat voor omgangsregelingen met derden, zoals grootouders, artikel 1:377a BW de juiste rechtsingang is. Dit artikel stelt een zwaardere toetsingsmaatstaf, namelijk dat er sprake moet zijn van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarigen en de derde.
De rechtbank concludeerde dat het niet de bedoeling van de wetgever is dat via artikel 1:253a BW de strengere eisen van artikel 1:377a BW worden omzeild. Daarom werd het verzoek van de man afgewezen en werd de proceskostenverdeling zo vastgesteld dat iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man is niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling tussen grootmoeder vaderszijde en de minderjarigen.