Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.De procedure
- het bevel tot beperking vrij verkeer tussen raadsman en verdachte, ingekomen d.d. 4 juli 2013;
- de overige stukken.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
In deze strafzaak heeft de officier van justitie een bevel gegeven tot beperking van het vrije verkeer tussen de raadsman en verdachte, omdat de raadsman meerdere verdachten in dezelfde zaak bijstaat die gedetineerd zijn en beperkingen hebben opgelegd gekregen. De officier van justitie vreesde dat de verdachten via de raadsman informatie zouden verkrijgen die zij in het belang van het onderzoek niet mochten weten, wat de waarheidsvinding zou kunnen belemmeren.
De raadsman voerde aan dat artikel 50 van Pro het Wetboek van Strafvordering concrete en aanwijsbare omstandigheden vereist om een dergelijk bevel te rechtvaardigen. Volgens hem ontbraken deze concrete aanwijzingen en was het bevel een te zwaar middel dat niet door het dossier werd gedragen. Ook stelde hij dat de verdachten openlijk verklaren en al geruime tijd op de hoogte zijn van hun mogelijke verdachtenstatus.
De rechtbank oordeelde dat het enkele feit dat een raadsman meerdere verdachten bijstaat die gedetineerd zijn en beperkingen hebben, onvoldoende grond is voor een ernstig vermoeden dat het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte zal leiden tot het bekend raken met onderzoeksomstandigheden waarvan de verdachte onkundig moet blijven. De rechtbank vond dat de officier van justitie onvoldoende concrete omstandigheden had aangevoerd om een uitzondering op het beginsel van vrije communicatie te rechtvaardigen.
Daarom werd het bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte opgeheven. De beslissing werd genomen door de meervoudige raadkamer van de rechtbank Zeeland-West-Brabant op 5 juli 2013.
Uitkomst: De rechtbank heft het bevel tot beperking van het vrije verkeer tussen raadsman en verdachte op wegens het ontbreken van concrete aanwijzingen.