ECLI:NL:RBZWB:2013:5375

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
11 juli 2013
Publicatiedatum
17 juli 2013
Zaaknummer
AWB- 12_7446
Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van de Ziektewet op stagevergoeding en dagloonbepaling

In deze zaak heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 11 juli 2013 uitspraak gedaan in een geschil tussen eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. M.M. van de Wijnckel, en de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Eiseres heeft beroep ingesteld tegen een besluit van het UWV van 21 november 2012, waarin haar dagloon op grond van de Ziektewet (ZW) werd vastgesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de stage van eiseres, die van 1 september 2010 tot en met 30 juni 2011 bij Stichting [naam stichting] heeft gelopen, terecht als dienstbetrekking is aangemerkt. Dit heeft geleid tot de conclusie dat de stagevergoeding van eiseres als loon moet worden beschouwd in de berekening van haar dagloon voor de ZW-uitkering. Eiseres betoogde dat deze toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW nadelig voor haar uitpakt, omdat het haar dagloon aanzienlijk verlaagt in vergelijking met haar laatst verdiende loon. De rechtbank oordeelde echter dat de wetgever bewust heeft gekozen om voor stagiaires geen uitzonderingsgrond op te nemen zoals voor starters/herintreders, en dat de stagevergoeding een redelijke afspiegeling van het welvaartsniveau van eiseres vormt. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, en oordeelde dat het UWV op goede gronden de stagevergoeding bij de bepaling van het dagloon heeft meegenomen. De uitspraak benadrukt de strikte toepassing van de ZW en de wettelijke bepalingen omtrent dagloonregels, en bevestigt dat de rechtbank niet vrijstaat om de wetgeving op haar billijkheid te toetsen.

Uitspraak

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 12/7446 ZW

uitspraak van 11 juli 2013 van de meervoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

gemachtigde: mr. M.M. van de Wijnckel,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV; kantoor Groningen), verweerder.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 21 november 2012 (bestreden besluit) van het UWV inzake het vaststellen van haar dagloon op grond van de Ziektewet (ZW).
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Breda op 11 juni 2013. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door [woordvoerder verweerder].

Overwegingen

1.
Op grond van de stukken en de behandeling ter zitting gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres, geboren op [geboortedatum], heeft van 1 september 2010 tot en met 30 juni 2011 stage gelopen bij Stichting [naam stichting]. Eiseres ontving tijdens haar stage een vergoeding tussen € 87,27 en € 120,00 per maand. Aansluitend is eiseres op 1 juli 2011 in dienst getreden bij deze werkgever op grond van een arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar.
Op 15 november 2011 is eiseres wegens ziekte uitgevallen voor haar werkzaamheden bij Stichting [naam stichting]. Op 30 juni 2012 is het dienstverband van rechtswege geëindigd.
Bij primair besluit van 14 augustus 2012 heeft het UWV aan eiseres met ingang van
2 juli 2012 een ZW-uitkering toegekend. Het UWV heeft het dagloon van eiseres gebaseerd op het loon dat zij gemiddeld heeft verdiend in de twaalf maanden voorafgaand aan haar ziekte. Het dagloon is vastgesteld op € 22,42.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de hoogte van het dagloon.
Bij het bestreden besluit heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en het dagloon vastgesteld op € 26,28. Het bezwaar is gegrond verklaard voor zover eiseres daarin heeft betoogd dat haar dagloon ten onrechte niet is verhoogd op grond van artikel 5 van het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen (hierna: het Besluit dagloonregels), omdat eiseres bij aanvang van het refertejaar op 1 november 2010 jonger was dan 23 jaar.
2.
Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW in haar geval zeer nadelig uitpakt. Doordat de stageperiode als dienstbetrekking wordt aangemerkt, wordt de stagevergoeding die zij ontving van
1 november tot en met 30 juni 2011 in de berekening van het dagloon betrokken. Daardoor is het dagloon van eiseres aanzienlijk lager dan wanneer uitgegaan zou worden van haar laatst verdiende loon. Bovendien is artikel 6 van het Besluit dagloonregels hierdoor niet op eiseres van toepassing, terwijl dit wel het geval was geweest als de stage niet werd aangemerkt als dienstverband, zoals bij de Werkloosheidswet (WW). Eiseres wordt dan ook door de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW in een nadeliger positie gebracht. Dit terwijl deze bepaling louter in het leven is geroepen ter bescherming en ten voordele van stagiaires en uit de toelichting niet voortvloeit dat deze bepaling enige invloed beoogt te hebben op de vaststelling van het dagloon van een (voormalige) stagiaire. Toepassing van deze bepaling is in onderhavige situatie in strijd met de bedoeling van de wetgever.
Voorts betwist eiseres dat van een reguliere referteperiode van een jaar voorafgaande aan de eerste ziektedag moet worden uitgegaan, omdat uit recente jurisprudentie volgt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van de betrokkene op grond van de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan, onder andere, de Ziektewet. Tijdens de referteperiode is het welvaartsniveau van eiseres aanzienlijk gestegen als gevolg van haar indiensttreding. Ook tijdens haar ziekte heeft de werkgever aan eiseres het laatst verdiende salaris doorbetaald. Eiseres heeft haar uitgavenpatroon hierop aangepast. Eiseres is dan ook van mening dat haar dagloon gebaseerd had moeten worden op het salaris dat zij over de periode van 1 juli 2011 tot 1 november 2011 heeft genoten, nu daarmee recht zou worden gedaan aan de verzekeringsgedachte.
3.
Op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW wordt als dienstbetrekking mede beschouwd de arbeidsverhouding van degene, die werkzaam is om vakbekwaamheid te verwerven, onder wie mede wordt begrepen degene, die als leerling van een instelling van onderwijs praktisch werkzaam is, alsmede degene, die aan een bedrijfsschool opleiding ontvangt, een en ander indien een beloning wordt genoten, die niet uitsluitend bestaat in het ontvangen van onderricht.
Op grond van artikel 15, eerste lid, van de ZW wordt voor de berekening van het ziekengeld waarop op grond van deze wet recht bestaat als dagloon beschouwd 1/261 deel van het loon dat de werknemer in de periode van één jaar, die eindigt op de laatste dag van het aangiftetijdvak voorafgaande aan het aangiftetijdvak waarin de ongeschiktheid tot werken is ingetreden, verdiende, doch ten hoogste het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen, met betrekking tot een loontijdvak van een dag.
Op grond van het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur ten aanzien van de vaststelling van het dagloon, bedoeld in het eerste lid, en de herziening ervan nadere en zo nodig afwijkende regels gesteld.
Bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit dagloonregels van 8 oktober 2005.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit dagloonregels wordt, voor de toepassing van dit Besluit, de werknemer geacht zijn loon te hebben genoten in het aangiftetijdvak waarover de werkgever van dat loon aangifte heeft gedaan.
Op grond van artikel 3, eerste lid, van het Besluit dagloonregels is het dagloon de uitkomst van de volgende berekening:
((A – B – C) + D + E) / 261
waarbij:
A staat voor het loon dat de werknemer in het refertejaar heeft genoten;
B staat voor de bedragen aan vakantiebijslag die de werknemer onder die titel in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar heeft genoten;
C staat voor de bedragen die de werknemer in de volledige aangiftetijdvakken in het refertejaar onder die titel heeft genoten aan uitkeringen die het karakter hebben van een extra periodiek salaris;
D staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan vakantiebijslag;
E staat voor het bedrag dat de werknemer in het refertejaar heeft opgebouwd aan uitkeringen als bedoeld onder C.
Op grond van artikel 6, eerste lid, van het Besluit dagloonregels wordt het dagloon van de werknemer, die vanaf de aanvang van het refertejaar tot en met de laatste dag van de eerste volledige maand van dat jaar geen loon als bedoeld in artikel 2 ontving, vastgesteld door bij de toepassing van artikel 3 <261> te vervangen door: het aantal dagloondagen vanaf en met inbegrip van de dag waarop de werkzaamheden als werknemer zijn gestart tot het einde van het refertejaar.
4.1
Tussen partijen is niet in geschil is dat de stage van eiseres op grond van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW als dienstbetrekking moet worden beschouwd. Eiseres heeft gesteld dat zij door toepassing van dit artikel in een nadeliger positie terechtkomt, aangezien de stagevergoeding die zij van 1 november 2010 tot en met
30 juni 2011 heeft ontvangen, wordt meegenomen in de berekening van haar dagloon voor de ZW-uitkering. Deze onbillijke uitwerking is in strijd met de bedoeling van de wetgever, aldus eiseres.
De rechtbank overweegt dat de ZW een wet in formele zin is. Op grond van artikel 120 van de Grondwet staat het de rechtbank niet vrij om formele wetgeving te toetsen op haar grondwettigheid. Het staat de rechter verder op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om de innerlijke waarde of billijkheid van die wet te toetsen. De rechter kan een wet in formele zin slechts buiten toepassing verklaren als en voor zover deze onmiskenbaar onverbindend is wegens strijd met het Unierecht of met een ieder verbindende bepaling van een verdrag. Naar het oordeel van de rechtbank is van zodanige strijd niet gebleken. De rechtbank kan artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW dan ook niet buiten toepassing laten. Gelet daarop is de stage van eiseres terecht als dienstbetrekking aangemerkt, zodat de stagevergoeding terecht is aangemerkt als loon over het refertejaar.
4.2
Voorts stelt eiseres dat zij vanwege de toepassing van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder g, van de ZW niet wordt aangemerkt als een starter/herintreder in de zin van artikel 6 van het Besluit Dagloonregels. De rechtbank constateert dat dit inderdaad een gevolg is van de keuze van de wetgever.
Zoals de Centrale Raad van Beroep (CRvB) in haar uitspraak van 3 juni 2010 (LJN BM8090) heeft overwogen, komt uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet administratieve lastenverlichting en vereenvoudiging in sociale zekerheidswetten (Walvis) naar voren dat het dagloon voortaan zou worden gebaseerd op het door de werknemer in een bepaalde periode daadwerkelijk ontvangen loon. Daarbij werd gestreefd naar een ingrijpende vereenvoudiging van de berekeningswijze, waarbij zo min mogelijk uitzonderingen zouden bestaan. Blijkens de Memorie van toelichting werd het, om ongewenste effecten te voorkomen, niettemin wenselijk geacht om in een (limitatief) aantal situaties rekening te houden met omstandigheden waarin de werknemer zich in de referteperiode bevond en die een negatieve invloed uitoefenen op de hoogte van het dagloon. Een van die situaties is het starten of (her)intreden als werknemer tijdens de referteperiode. Als voorbeelden werden genoemd de (her)intreder, die na een aantal jaren weer aan het arbeidsproces gaat deelnemen, alsmede de schoolverlater die nog niet zo lang werkt. Zo iemand die de pech heeft in het eerste jaar van zijn (her)intrede op de arbeidsmarkt arbeidsuren te verliezen, krijgt op basis van de standaardberekening een relatief laag dagloon. De regering achtte dit niet redelijk, mede omdat zij de deelname aan het arbeidsproces van de genoemde categorieën werknemers wil stimuleren. Daarom is voorgesteld het in het refertejaar genoten (premie)loon te delen [niet door 261 maar] door het maximale aantal dagloondagen dat ligt tussen de aanvang van de verzekering en het einde van de referteperiode, aldus de Memorie van toelichting (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 219, nr. 3, p. 80 81). De CRvB leidt uit deze wetsgeschiedenis af dat het begrip starter/herintreder restrictief moet worden uitgelegd en dat artikel 6, eerste lid, van het Besluit uitsluitend betrekking heeft op degene die vanaf de aanvang tot en met de eerste volle maand van de referteperiode in het geheel geen loon uit dienstbetrekking heeft ontvangen.
De rechtbank stelt vast dat de wetgever bewust er voor heeft gekozen om voor de stagiaire niet een zodanige uitzonderingsgrond op te nemen als voor de starter.
Van de zijde van eiseres is gewezen op een reeks uitspraken van de CRvB van 23 november 2011 (o.a. LJN BY4324) waaruit volgt dat het dagloon een redelijke afspiegeling moet vormen van het welvaartsniveau van de betrokkene op grond van de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan, onder andere, de Ziektewet.
Naar het oordeel van de rechtbank was de situatie in die procedures echter niet vergelijkbaar met de onderhavige situatie, aangezien in die zaken sprake was van negatief loon dat doorwerkt in de hoogte van het dagloon. Dat doet op onaanvaardbare wijze afbreuk aan de verzekeringsgedachte die ten grondslag ligt aan de ZW. Het meenemen van de stagevergoeding van eiseres leidt er evenwel niet toe dat het dagloon geen redelijke afspiegeling van het welvaartsniveau van eiseres vormt. Integendeel, het gemiddelde dat eiseres heeft verdiend in de referteperiode van een jaar vormt juist een correcte afspiegeling van het welvaartsniveau in de voor de beoordeling relevante periode en is dan ook in overeenstemming met de verzekeringsgedachte van de Ziektewet.
De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat eiseres als stagiaire in de eerste negen maanden van het refertejaar als werknemer in de zin van de ZW loon als bedoeld in het Besluit dagloonregels heeft ontvangen, zodat het UWV op goede gronden de stagevergoeding bij de bepaling van het dagloon heeft meegenomen en de startersregeling van artikel 6 Besluit dagloonregels buiten toepassing heeft gelaten. Gelet op de duidelijke tekst van voormeld artikel en de wetsgeschiedenis van het Besluit dagloonregels, had het UWV ook geen ruimte om anders te beslissen (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 25 november 2011, LJN: BU6004).
5.
Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.H. Hamburger, voorzitter, en mrs. J. van Alphen en I.M.T. Wijnands, leden, en ondertekend door de voorzitter. De griffier, mr. M.A. de Rooij, is buiten staat de uitspraak mede te ondertekenen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2013.
griffier voorzitter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.