Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De voorvragen
4.De beoordeling van het bewijs
5.De benadeelde partij
6.De beslissing
spreekt verdachte vrijvan het primair en subsidiair ten laste gelegde feit;
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Op 9 september 2012 sloeg verdachte met een honkbalknuppel een slachtoffer op het hoofd tijdens een conflict in een bus en op het station van Etten-Leur. Het slachtoffer liep ernstig letsel op. Verdachte werd vervolgd voor poging tot doodslag en subsidiair medeplichtigheid.
De rechtbank oordeelde dat sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer vanwege de aard en kracht van de klap. Echter, er ontbrak bewijs voor bewuste en nauwe samenwerking met anderen (medeplegen) of dat verdachte hulp had verleend bij het misdrijf (medeplichtigheid). Getuigenverklaringen en camerabeelden boden onvoldoende aanknopingspunten voor deze kwalificaties.
De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, maar deze werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank sprak verdachte vrij van zowel het primair als subsidiair ten laste gelegde feit en verwees de civiele vordering naar de burgerlijke rechter.
Uitkomst: Verdachte is vrijgesproken van medeplegen en medeplichtigheid aan poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs.