Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
AW
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Eiser, werkzaam bij de Dienst justitiële inrichtingen, kreeg per 1 maart 2010 buitengewoon verlof toegekend met een SBF-uitkering van 80% van zijn bezoldiging. Hij maakte bezwaar tegen de hoogte van de uitkering en de duur van het verlof. Na diverse beslissingen en een vernietiging van een eerdere uitspraak, stelde verweerder de einddatum van de uitkering vast op 1 mei 2013 op basis van ABP-berekeningen.
Eiser stelde dat hij verkeerd was geïnformeerd over de hoogte van het keuzepensioen en dat hij een compensatieregeling moest krijgen omdat de uitkering lager uitviel dan verwacht. De rechtbank oordeelde dat eiser de SBF-regeling terecht en correct is toegepast en dat het minder gunstige resultaat voortkomt uit de regeling zelf, niet uit een gebrek aan het besluit.
De rechtbank benadrukte dat eiser het verzoek om buitengewoon verlof niet had ingetrokken toen hij bekend werd met de financiële consequenties en dat hij zich beter had moeten laten informeren. Ook was niet gebleken dat de regeling onredelijke gevolgen had die compensatie rechtvaardigen. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot beëindiging van het buitengewoon verlof en de SBF-uitkering wordt ongegrond verklaard.