ECLI:NL:RBZWB:2013:11331

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak
18 december 2013
Publicatiedatum
10 juli 2014
Zaaknummer
C-12-86842 - HA ZA 13-7
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.C. de Regt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:761 BWArt. 3:316 lid 2 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verjaring van vordering wegens gebrekkige uitvoering aannemingsovereenkomst

Eiser gaf opdracht aan gedaagde voor verbouwing en uitbreiding van zijn woning. Eiser vorderde betaling wegens gebrekkige uitvoering en schade, maar gedaagde stelde dat de vordering verjaard was. De rechtbank onderzocht of het werk was opgeleverd en welke verjaringstermijn van toepassing was.

Gedaagde stelde dat het werk in september 2008 was opgeleverd en dat de korte verjaringstermijn van twee jaar geldt. Eiser betwistte oplevering en stelde dat de langere verjaringstermijn van vijf jaar geldt. Eiser had weliswaar in kort geding een eerdere dagvaarding uitgebracht, maar de nieuwe dagvaarding volgde pas na het verstrijken van de wettelijke termijn van zes maanden na het krachtens gewijsde gaan van het kort geding vonnis.

De rechtbank oordeelde dat de vordering verjaard is omdat de dagvaarding te laat is uitgebracht. De korte verjaringstermijn van twee jaar is van toepassing omdat het werk is opgeleverd. De vordering is daardoor niet-ontvankelijk. De overige vorderingen in het incident werden eveneens afgewezen. Eiser werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De vordering is verjaard en wordt afgewezen; eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Handelsrecht
Middelburg
zaaknummer / rolnummer: C/12/86842 / HA ZA 13-7
Vonnis van 18 december 2013
in de zaak van
[eiser],
wonende te [adres],
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. A.H. Rijkse te Clinge, gemeente Hulst,
tegen
de besloten vennootschap
[gedaagde],
gevestigd te [adres],
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. P.H. Pijpelink te Terneuzen.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie tot constatering van verjaring tevens houdende vorderingen tot naleving van de waarheid plicht en tot aanvulling van stellingen door de eiser in de hoofdzaak
  • de antwoordakte op de incidentele conclusie tot constatering van verjaring tevens houdende vorderingen tot naleving van de waarheid plicht en tot aanvulling van stellingen door de eiser in de hoofdzaak
  • de akte uitlating producties in het incident
  • de Antwoordakte Uitlating Producties In Het Incident
  • de akte inbrengen producties
  • de Antwoordakte
  • de Pleitnota in het incident
  • de Pleitnotities mr A.H. Rijkse

2.De feiten in de hoofdzaak

2.1.
[eiser] heeft aan [gedaagde] opdracht gegeven tot het verbouwen en uitbreiden van de aan hem in eigendom toebehorende woning aan de [adres]. [gedaagde] heeft de werkzaamheden uitgevoerd.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt tot betaling van € 52.911,86, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van betaling met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure, waaronder begrepen een bedrag aan salaris, alsmede een bedrag aan nakosten van € 131,00 zonder betekening danwel € 199,00 met betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis.
3.2.
[eiser] legt het volgende aan zijn vordering ten grondslag. [gedaagde] heeft de verbouwing slecht uitgevoerd. Het werk kent de volgende gebreken:
  • het dak lekt; het lekwater loopt over het plafond en komst aan verschillende kanten naar beneden tot aan de betonvloer en loopt via de elektrodozen in het plafond als gevolg waarvan de elektrische bedrading is aangetast;
  • kieren in de aansluiting van de plafonddelen;
  • geen spotjes in het plafond;
  • geen aansluiting op de riolering;
  • ondeugdelijke fundering;
  • de betonvloer van de aanbouw is niet, danwel onvoldoende, voorzien van een van isolatie en waterkerende folie;
  • het stucwerk van de schoorsteen is in tegenstelling tot de gemaakte afspraken niet hersteld.
[gedaagde] is ondanks aanmaning en ingebrekestelling niet bereid gebleken de gebreken te herstellen. [eiser] begroot de schade op € 52.911,86 exclusief BTW. Hij verwijst naar de door hem overgelegde schaderapporten.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde] vordert dat dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
  • voor recht verklaart, althans constateert, dat de door [eiser] ingestelde rechtsvordering is verjaard;
  • [eiser] veroordeelt tot het nemen van een aanvullende conclusie waarin hij de eerder door [gedaagde] in het tussen partijen gevoerde Kort Geding naar voren gebrachte verweren vermeldt opdat [gedaagde] daarop in de hoofdzaak kan reageren;
  • [eiser] veroordeelt om bij nadere conclusie de bewijsmiddelen en getuigen te noemen zodat [gedaagde] daar in de hoofdzaal op kan reageren.
4.2.
[gedaagde] legt het volgende aan zijn incidentele vordering ten grondslag. [eiser] heeft de op hem rustende waarheid plicht verzaakt. Hij verwijst naar de door hem overgelegde en in die procedure namens [eiser] uitgebrachte dagvaarding en de pleitnota van de toenmalige advocaat van [gedaagde]. [gedaagde] handhaaft de in die procedure aangevoerde stellingen en verweren uitdrukkelijk, meer in het bijzonder het verweer dat de vordering van [eiser] is verjaard. [gedaagde] heeft het werk in september 2008 opgeleverd. Hij heeft daar aan toegevoegd dat de ouders van [eiser] en een bouwkundige bij de oplevering aanwezig waren. [eiser] had toen alle facturen voldaan. Mr. Rijkse heeft namens [eiser] bij brief van 8 januari 2009 geklaagd en vervolgens, nadat [gedaagde] een aantal punten had opgelost en [eiser] de daarvoor verzonden facturen had voldaan, opnieuw bij brief d.d. 10 augustus 2009. [eiser] heeft aldus niet binnen bekwame tijd en dus te laat geklaagd. De verjaringstermijn is toen opnieuw gaan lopen. De overeenkomst kwalificeert als een overeenkomst van aanneming van werk. Voor dergelijke overeenkomsten geldt de korte verjaringstermijn van twee jaar. Als met de voorzieningenrechter aangenomen zou moeten worden dat de verjaringstermijn is gestuit bij deurwaardersexploot van 8 juni 2010 dan heeft [eiser] [gedaagde] destijds in kortgeding tijdig gedagvaard door de dagvaarding uit te brengen op 6 december 2011. In die dagvaarding heeft hij gevorderd dat [gedaagde] zou worden veroordeeld tot betaling van € 25.000,00 en heeft hij zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden betaling te vorderen van de door [eiser] geleden schade, door hem destijds begroot op € 43.000,00. Het vonnis van de voorzieningenrechter heeft op 20 januari 2012 kracht van gewijsde gekregen. Op grond van artikel 3:316 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek is de verjaring slechts gestuit indien binnen zes maanden na 20 januari 2012, dus uiterlijk op 20 juli 2012, een nieuw exploit zou zijn uitgebracht. [eiser] heeft [gedaagde] eerst bij exploit van 28 december 2012 gedagvaard. Op dat moment was de vordering verjaard.
4.3.
[eiser] voert verweer. Ten onrechte gaat [gedaagde] uit van een verjaringstermijn van twee jaar. In artikel 7:761 BW Pro wordt gesproken over “opgeleverd” werk. [gedaagde] heeft het werk echter niet opgeleverd. Oplevering houdt in dat partijen gezamenlijk het werk nalopen en dat tussen partijen overeenstemming bestaat over de uitvoering van het werk. Tussen partijen is nooit overeenstemming bereikt met betrekking tot het resultaat van de van de werkzaamheden. [gedaagde] heeft zonder aankondiging de werkzaamheden beëindigd. De[deskundige] heeft na bezichtiging op 21 november 2008 een bouwkundig rapport opgemaakt waarin alle tekortkomingen en gebreken zijn vermeld. [eiser] heeft [gedaagde] bij brief van zijn raadsman van 8 januari 2009 op de hoogte gesteld van de geconstateerde gebreken. In februari 2009 heeft [gedaagde] nog werkzaamheden in de woning verricht. Bij brieven van 10 augustus 2009, 2 februari 2010 en in het op 8 juli 2010 betekende deurwaardersexploot heeft [eiser] [gedaagde] gewezen op de tekortkomingen. Dit alles in aanmerking nemende is de verjaringstermijn van 5 jaar van toepassing.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
De eerste vraag die dient te worden beantwoord is welke verjaringstermijn van
toepassing is. Het antwoord op die vraag is afhankelijk van het antwoord op de vraag of al
dan niet een oplevering heeft plaatsgevonden. Op grond van artikel 7:761 BW Pro verjaart elke
rechtsvordering wegens een gebrek in het opgeleverde werk door verloop van twee jaren
nadat de opdrachtgever terzake heeft geprotesteerd. De termijn van twee jaar begint te lopen
na de ontvangst door de aannemer van het protest van de opdrachtgever ter zake van het
gebrek in het opgeleverde werk. [gedaagde] heeft gesteld dat zij het werk in september
2008 heeft opgeleverd en dat de ouders van [eiser] en een bouwkundige bij de oplevering
aanwezig waren en dat [eiser] toen alle facturen had voldaan. Tussen partijen staat
onweersproken vast dat [eiser] bij exploit van 6 december 2011 [gedaagde] heeft
gedagvaard en daarmee de verjaring heeft gestuit. Vervolgens heeft [eiser]
[gedaagde] in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter van deze rechtbank en
heeft hij de wederom de lopende verjaring daarbij gestuit. De voorzieningenrechter heeft bij
vonnis van 23 december 2011 de vordering van [eiser] afgewezen en [eiser] heeft tegen
die uitspraak geen beroep ingesteld. Dat betekent dat op dat een nieuwe verjaringstermijn is
gaan lopen vanaf 20 januari 2012 en is geëindigd op 20 juli 2012.
5.2.
Op grond van artikel 3:316 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek is de verjaring slechts
gestuit indien binnen zes maanden na 20 januari 2012, dus uiterlijk op 20 juli 2012, een
nieuw exploit zou zijn uitgebracht. Dat is niet gebeurd. [eiser] heeft [gedaagde] eerst bij
exploit van 28 december 2012 gedagvaard. Op dat moment was de vordering reeds
verjaard. De rechtbank zal de incidentele vordering tot zover derhalve toewijzen en het meer
of anders gevorderde afwijzen. Dat brengt met zich dat [gedaagde] bij de overige
vorderingen in het incident geen belang meer heeft. De rechtbank zal die vorderingen
derhalve eveneens afwijzen.
5.3.
[eiser] dient als de in het incident in het ongelijk gestelde te worden veroordeeld in de kosten van het incident, door de rechtbank begroot op € 452,00.

6.De verdere beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
De rechtbank zal de vordering afwijzen;
6.2.
[eiser] dient als de in het ongelijk te stellen partij te worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- vastrecht € 1.826,00
- salaris advocaat € 894,00
-------------
- totaal € 2.720,00

7.De beslissing

De rechtbank
In het incident
- verklaart voor recht dat de vordering in de hoofdzaak is verjaard;
- wijst de overige vorderingen in het incident af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 452,00;
- verklaart dit vonnis met betrekking tot de kosten uitvoerbaar bij voorraad.
In de hoofdzaak
- wijst de vordering af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 2.720,00;
- verklaart dit vonnis met betrekking tot de kosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. de Regt en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.