Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
vonnis van de kantonrechter d.d. 6 november 2013
[eiser 1],
het verloop van de procedure
de beoordeling van de zaak
bovendienjegens de werkgever aanspraak heeft op de nodige compensatie.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Werknemer trad in 2008 in dienst bij bedrijf 1 en ontving een reiskostenvergoeding van €468 per maand. Per 1 januari 2011 werd bedrijf 1 overgenomen door de werkgever, waarbij de arbeidsvoorwaarden inclusief reiskostenvergoeding ongewijzigd bleven. Vier maanden later tekende werknemer een nieuw arbeidscontract met lagere reiskostenvergoeding van €210,08 per maand, het maximum van de nieuwe regeling.
Werknemer protesteerde tegen de verlaging en vorderde betaling van het verschil. De werkgever stelde dat de wijziging met instemming was overeengekomen en dat een deel van de oude vergoeding een compensatie voor zakelijke kilometers betrof. Dit werd door de rechtbank niet aanvaard.
De rechtbank oordeelde dat de rechtsbescherming bij overgang van onderneming van openbare orde is en dat werknemer geen afstand kon doen van zijn hogere reiskostenvergoeding via het nieuwe contract. Harmonisatie was een rechtstreeks gevolg van de overgang, maar kon niet met terugwerkende kracht de rechten wijzigen. De vordering tot betaling van het verschil werd toegewezen, inclusief rente en buitengerechtelijke kosten.
De werkgever werd veroordeeld tot betaling van €4.225,06 plus rente, €726 aan incassokosten en proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Werkgever moet werknemer het verschil in reiskostenvergoeding van €468 minus €210,08 per maand betalen over de periode tot augustus 2012.