ECLI:NL:RBZUT:2012:BY3303
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Tussenvonnis over vergoeding bij beëindiging overeenkomst van opdracht met no cure no pay
In deze zaak staat centraal de vraag of opdrachtnemer [naam A B.V.] recht heeft op vergoeding van werkzaamheden verricht voor [naam B B.V.] in het kader van een overeenkomst van opdracht met een no cure no pay-bepaling. De werkzaamheden betroffen bezwaarprocedures tegen vijf BPM-aanslagen bij de Belastingdienst.
[naam A B.V.] stelt dat zij recht heeft op vergoeding omdat een minnelijke schikking is bereikt waarbij [naam B B.V.] 85% teruggaaf krijgt, terwijl [naam B B.V.] dit betwist en stelt dat geen overeenstemming is bereikt. De rechtbank wijst erop dat bij betwisting van deze feiten de bewijslast bij [naam A B.V.] ligt en draagt haar op bewijs te leveren.
Indien [naam A B.V.] slaagt in het bewijs, zal worden vastgesteld dat de opdracht is volbracht en recht op vergoeding bestaat. Indien niet, dan is geen sprake van een gegrondverklaring en geen recht op vergoeding op grond van de overeenkomst. Tevens is een vergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid aan de orde indien geen resultaat is bereikt. De rechtbank houdt verdere beslissing aan en plant een zitting voor bewijslevering.
Uitkomst: De rechtbank draagt opdrachtnemer op bewijs te leveren van een regeling met de Belastingdienst en houdt verdere beslissing aan.