ECLI:NL:RBZUT:2012:BX7234
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bijdrage in kosten verzorging en opvoeding minderjarige na beëindiging samenwoning
De vrouw verzocht de rechtbank om de man te verplichten vanaf 1 juni 2010 een bijdrage van €950 per maand te betalen voor de verzorging en opvoeding van hun minderjarige kind, met terugwerkende kracht. Zij stelde dat de man over een aanzienlijk vermogen beschikte en dat het gezin ten tijde van de samenwoning in grote welstand leefde, terwijl het kind nu in armoede moest opgroeien.
De man betwistte de hoogte van de behoefte en stelde dat de bijdrage maximaal €450 per maand kon zijn, waarbij hij zelf reeds €250 betaalde. Hij stelde dat het vermogen niet relevant was voor de behoeftebepaling en dat partijen naar draagkracht moesten bijdragen.
De rechtbank stelde vast dat de behoefte van het kind gebaseerd moest worden op het netto gezinsinkomen tijdens de samenwoning, geschat op €4.400 per maand inclusief een gebruikelijke woonlast van 25%. Op basis van het rapport kosten van kinderen 2010 werd de behoefte vastgesteld op €693 per maand in 2012. De man werd geacht in redelijkheid een deel van zijn vermogen aan te spreken. De rechtbank bepaalde de bijdrage van de man op €385 per maand, wat overeenkomt met zijn voorgestelde verhouding en de feitelijke zorgverdeling.
De rechtbank wees het verzoek tot terugwerkende kracht af en bepaalde de ingangsdatum op 24 april 2012, de datum van het verzoekschrift. De kosten van het geding werden ieder voor eigen rekening gelaten. De beschikking werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De man dient vanaf 24 april 2012 een maandelijkse bijdrage van €385 te betalen voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige.