ECLI:NL:RBZUT:2012:BW7498

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
5 juni 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/940383-11
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Prisse
  • Heenk
  • Draisma
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 300 lid 1 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs poging tot doodslag en mishandeling met mes

Op 16 september 2011 vond in Zutphen een incident plaats waarbij verdachte en aangever met elkaar in een worsteling raakten waarbij een mes betrokken was. Verdachte werd beschuldigd van poging tot doodslag, poging tot zware mishandeling, dan wel mishandeling door meerdere steken met een mes toe te brengen aan aangever.

De verklaringen van verdachte en aangever verschillen fundamenteel: aangever stelt dat verdachte hem aanviel met een mes, terwijl verdachte verklaart dat aangever hem wilde steken en hij zich verdedigde. Er zijn geen getuigen die het steken hebben gezien, alleen een getuige die zich de worsteling herinnert en het mes later op de grond zag liggen.

De rechtbank oordeelt dat op basis van de beschikbare stukken en verklaringen geen feitelijke gang van zaken kan worden vastgesteld en dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is voor de ten laste gelegde feiten. Hierdoor spreekt de rechtbank verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.

De benadeelde partij kan haar schadevordering niet in deze strafzaak laten behandelen en wordt niet-ontvankelijk verklaard. Het in beslag genomen bestekmes wordt onttrokken aan het verkeer, terwijl andere in beslag genomen kledingstukken worden teruggegeven aan verdachte of rechthebbende.

De rechtbank heft tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en spreekt het vonnis uit op 5 juni 2012.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor poging tot doodslag en mishandeling.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/940383-11
Uitspraak d.d.: 5 juni 2012
Tegenspraak
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] (Nederlandse Antillen) op [1974],
thans verblijvende in het huis van bewaring Arnhem Zuid te Arnhem.
Raadsman mr. B.J. Schadd te Arnhem.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 mei 2012.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk
[slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet een aantal maal die [slachtoffer]
met een mes in/tegen diens (achter)hoofd en/of in diens (linker) schouder
en/of in diens nek/hals heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat
voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon
genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
met dat opzet een aantal maal die [slachtoffer] met een mes in/tegen diens
(achter)hoofd en/of in diens (linker) schouder en/of in diens nek/hals heeft
gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 16 september 2011 te Zutphen,
opzettelijk mishandelend een persoon, te weten [slachtoffer],
een aantal maal met een mes in/tegen diens (achter)hoofd en/of in diens
(linker) schouder en/of in diens nek/hals heeft gestoken, waardoor deze letsel
heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs
A. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde en bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe voorhanden zijn. De officier van justitie heeft voorts gesteld dat niet met zekerheid te zeggen is dat zich hier geen noodweersituatie heeft voorgedaan en dat derhalve tot ontslag van alle rechtsvervolging moet worden geconcludeerd.
B. Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is vrijspraak van het primair en subsidiair bewezen verklaarde bepleit. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van het meer subsidiaire noodweer/noodweerexces aan de orde is.
C. Beoordeling door de rechtbank
Vaststaat dat aangever naar de cel van verdachte is gegaan naar aanleiding van het feit dat hij zich beledigd voelde door een uitlating van verdachte in zijn richting eerder die dag. Wat hierna is gebeurd is niet duidelijk, nu het relaas van verdachte hierover recht tegenover het relaas van aangever staat. Aangever stelt dat verdachte dadelijk een mes greep en op aangever instak, waarna een worsteling volgde. Verdachte verklaart daarentegen dat het aangever was die een mes pakte en verdachte wilde steken. Verdachte verklaart vervolgens de hand van aangever, waarin deze het mes vasthield, te hebben vastgepakt en met aangever te hebben geworsteld om zich te verdedigen tegen de aanval van aangever. Er zijn van het steken geen getuigen, nu de enige getuige die hierover bij de politie heeft verklaard, te weten de heer [naam], bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting heeft aangegeven zich enkel de worsteling tussen verdachte en aangever te herinneren en niet het steken met een mes door verdachte. Hij heeft met betrekking tot het mes verklaard zich enkel te kunnen herinneren dat hij het later op de grond heeft zien liggen.
Duidelijk is dat verdachte en aangever hebben geworsteld, dat er een mes in het spel is geweest en dat aangever door dit mes is geraakt. Niet duidelijk is wie in eerste instantie het mes heeft gepakt en hoe de verwondingen van aangever precies zijn toegebracht. Het letsel van aangever is niet specifiek en de letselrapportage kan hierover ook geen verdere duidelijkheid bieden. Het kan niet worden uitgesloten dat aangever in de worsteling door het mes is geraakt terwijl hij het zelf nog in handen had.
Door de officier van justitie is gerequireerd tot ontslag van alle rechtsvervolging nu verdachte een beroep op noodweer toekomt. De rechtbank is echter van oordeel dat aan de hand van de voorliggende stukken en verklaringen geen feitelijke gang van zaken kan worden vastgesteld. Anders dan de officier van justitie, is de rechtbank dan ook van oordeel dat onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor de onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten. Aan een beroep op noodweer komt de rechtbank dan ook niet toe.
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van de onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten.
Vordering van de benadeelde partijen
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.045,- gevoegd in het onderhavige strafgeding ten aanzien van het onder primair/subsidiair/meer subsidiair tenlastegelegde.
Deze benadeelde partij zal niet-ontvankelijk worden verklaard in zijn vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het tenlastegelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
In beslag genomen voorwerpen
Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven bestekmes dient te worden onttrokken aan het verkeer, nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar het aan verdachte verweten misdrijf werd aangetroffen en dit aan verdachte toebehorende voorwerp kan dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven, terwijl dit van zodanige aard is dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.
Nu zich geen strafvorderlijk belang daartegen verzet, zal de teruggave worden gelast van de scheenbeschermers, de zwarte trui en diverse kledingstekken aan de verdachte dan wel de rechthebbende.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;
* beveelt de onttrekking aan het verkeer van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een bestekmes;
* gelast de teruggave van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen aan de rechthebbende, te weten: scheenbeschermers, een zwarte trui en diverse kledingstukken;
* verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering;
* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door mrs. Prisse, voorzitter, Heenk en Draisma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 juni 2012.