ECLI:NL:RBZUT:2012:BV1714

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
24 januari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/940093-11
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • M. Schuurman
  • A. Prisse
  • J. Troost
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling minderjarige verdachte tot taakstraf wegens poging tot afpersing in Winterswijk

In deze zaak heeft de Rechtbank Zutphen op 24 januari 2012 uitspraak gedaan in de zaak tegen een minderjarige verdachte uit Winterswijk, die werd beschuldigd van poging tot afpersing. De verdachte, geboren in 1994, werd bijgestaan door zijn raadsman, mr. W.H. Teusink. De rechtbank oordeelde dat de verdachte op 27 december 2010, samen met medeverdachten, een fietser in de gemeente Winterswijk heeft bedreigd en gedwongen tot de afgifte van geld en goederen. De rechtbank heeft vastgesteld dat de verdachte en zijn mededaders de fietser van de fiets hebben geduwd en hem herhaaldelijk hebben aangesproken met de eis om geld en zijn mobiele telefoon af te geven. De rechtbank concludeerde dat er voldoende bewijs was voor de poging tot afpersing, waarbij de verdachte niet alleen aanwezig was, maar ook opzettelijk behulpzaam was geweest door op de uitkijk te staan.

Bij de strafoplegging heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het advies van de Jeugdreclassering. De rechtbank heeft geoordeeld dat de verdachte een werkstraf van 50 uren moest krijgen, waarvan 20 uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. De rechtbank heeft ook overwogen dat de kans op recidive laag is, gezien de positieve ontwikkeling van de verdachte en zijn medewerking aan de jeugdreclassering. De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 50 uren, met de waarschuwing dat bij niet-naleving vervangende jeugddetentie kan worden opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer voor jeugdzaken
Parketnummers: 06/940093-11
Uitspraak d.d.: 24 januari 2012
Tegenspraak
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte D],
geboren te [plaats, 1994],
wonende te [adres].
Raadsman mr. W.H. Teusink te Wezep.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting achter gesloten deuren van 10 januari 2012.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
hij
op of omstreeks 27 december 2010
in de gemeente Winterswijk
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [sl[slachtoffer F] te dwingen tot de
afgifte van geld en/of goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan die [slachtoffer F], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan verdachte en/of zijn mededader(s),
immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededader(s), althans alleen
die [slachtoffer F] van de fiets geduwd en/of gegooid en/of die [slachtoffer F] meermalen,
althans eenmaal toegevoegd: "Geef je geld" en/of "Geef alles wat je hebt"
en/of "Geef je mobiel en geld" en/of is/zijn verdachte en/of een of meer van
zijn mededader(s) op (zeer) korte afstand van die [slachtoffer F] gaan staan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
[verdachte I] en/of [ver[verdachte H], althans een ander of anderen,
op of omstreeks 27 december 2010
in de gemeente Winterswijk,
ter uitvoering van het door die [verdachte I] en/of [verdachte H], althans die
ander(en) voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of
anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen
door geweld en/of bedreiging met geweld [sl[slachtoffer F] te dwingen tot de
afgifte van geld en/of goed(eren), in elk geval van enig goed, geheel of ten
dele toebehorende aan die [slachtoffer F], in elk geval aan een ander of anderen dan
aan die [verdachte I] en/of [verdachte H] en/of zijn/hun mededader(s) en/of aan
verdachte,
welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat die
[verdachte I] en/of [verdachte H] en/of een of meer van zijn/hun mededader(s)
die [slachtoffer F] van de fiets heeft/hebben geduwd en/of gegooid en/of die [slachtoffer F] meermalen, althans eenmaal heeft/hebben toegevoegd: "Geef je geld" en/of
"Geef alles wat je hebt" en/of "Geef je mobiel en geld" en/of is/zijn die
[verdachte I] en/of [verdachte H] en/of een of meer van zijn/hun mededader(s) op
(zeer) korte afstand van die [slachtoffer F] gaan staan,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,
bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk behulpzaam is
geweest door aldaar op de uitkijk te gaan staan en/of (om) die ander(en) bij
onraad te gaan/kunnen waarschuwen en/of door opzettelijk niet in te grijpen
en/of zich niet tegen de uitvoering van die diefstal (met geweld) te verzetten;
incident 6, pag. 251)
art 45 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 317 lid 1 Wetboek van Strafrecht
art 312 lid 2 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
art 48 ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 48 ahf/sub 2 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Overwegingen ten aanzien van het bewijs1
A. Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft gerequireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie aangegeven welke bewijsmiddelen daartoe voorhanden zijn.
B. Standpunt van de verdediging
Door de raadsman is primair aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken nu het ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard. Subsidiair is bepleit dat het onder primair ten laste gelegde niet bewezen kan worden verklaard, maar dat sprake is geweest van medeplichtigheid aan de poging tot afpersing. De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat geen sprake is geweest van een gezamenlijk opzet om aangever te beroven.
C. Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat er voldoende wettig én overtuigend bewijs aanwezig is voor het primair tenlastegelegde.
De rechtbank acht voor haar bewijsoordelen de volgende bewijsmiddelen redengevend.
Door aangever [slachtoffer F] is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij 27 december 2010 te Winterswijk fietste. Hij zag twee mannen zijn kant op komen lopen en vervolgens ook nog twee jongens in de struiken. Later zag hij nog eens één of twee jongens in zijn richting wandelen. Eén van de jongens, met een opvallend witte jas, duwde aangever de berm in. De jongen met de witte jas vroeg: 'geef je geld'. De jongen met de witte jas stond op 25-30 centimeter van aangever. De jongen met de witte jas zei nog twee of drie keer: 'geef je geld'. De jongen met de jas met de legerprint zei: 'geef alles wat je hebt'. De jongen met de witte jas zei nog een paar keer dat hij zijn geld en mobiel moest geven. De twee jongens die hem aanspraken stonden dicht bij hem. De andere drie of vier stonden naast en achter hem op ongeveer twee meter afstand. Ik had geen kans om weg te lopen of fietsen2.
Door [verdachte J] is met betrekking tot de overval, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 27 december 2010 met verdachte, [verdachte F], [verdachte H] en [verdachte I] was. [verdachte F] stelde voor om in te breken bij de viskraam. [verdachte J] heeft thuis een muts opgehaald, omdat [verdachte F] zei dat hij zwarte kleding aan moest doen. [verdachte F] heeft zich ook omgekleed. Hierna zijn ze met zijn vijven vertrokken. Later liepen ze het Judobos in. Er kwam een fietser aan. [verdachte I] zei: 'die pakken we'. Hij bedoelde daarmee die rippen wij. [verdachte J] wist dat ze deze persoon gingen beroven. Ze liepen naar bosjes om zich te verschuilen. Ze liepen terug, [verdachte J] met verdachte ([verdachte D]) voorop en achter [verdachte J] [verdachte H], [verdachte F] en [verdachte I]. Toen de fietser passeerde, duwde [verdachte H] tegen hem aan, de fietser viel. [verdachte I] en [verdachte F] sprongen uit de bosjes om de fietser van achteren in te sluiten. [verdachte F], [verdachte H] en [verdachte I] stonden in een halvemaanvorm om de fietser. Verdachte ([verdachte D]) en [verdachte J] stonden drie a vier meter voor de fietser3.
Door verdachte is, zakelijk weergegeven, verklaard dat hij op 27 december 2010[verdachte J]verdachte J], [verdachte H], [verdachte I] en [verdachte F] was. Ze gingen zich omkleden, omdat ze hadden afgesproken om in te breken bij de viskraam bij de AVIA. Ze zijn later naar het Judobos gefietst. [verdachte F] kwam op het idee om iemand te overvallen, hij zei dit tegen hen allemaal. Hij wilde iemand die op de fiets langskwam overvallen. Daarna kwam er een fietser aan. [verdachte H] zei tegen [verdachte I] 'die gaan we rippen'. [verdachte I] ging achter de struiken staan. [verdachte H] was de achterste, verdachte ([verdachte D]) liep voorop en [verdachte J] achter hem en [verdachte F] achter [verdachte J]. [verdachte H] duwde de jongen op de fiets omver. Verdachte ([verdachte D]) zag dat [verdachte F] bij de jongen stond. De jongen viel tegen de heuvel en stond op. [verdachte H] zei op gebiedende toon: 'geef me je geld'. [verdachte I] duwde nog een keer, [verdachte H] riep: 'geef me je telefoon'. Verdachte ([verdachte D]) stond met [verdachte J] twee à drie meter verderop4. Aanvullend is door verdachte ([verdachte D]) verklaard dat hij die avond, toen [verdachte F] had voorgesteld in te breken, naar huis is gegaan om een zwarte trainingsbroek aan te doen5.
Met betrekking tot het gevoerde verweer van de raadsman overweegt de rechtbank, gelet op bovengenoemde bewijsmiddelen, als volgt. Voorafgaand aan de poging tot overval is het voornemen tot het plegen van een overval besproken door verdachte en de medeverdachten. Verdachte was dan ook op de hoogte van het voornemen een overval te plegen. [verdachte J]verdachte J] wordt aangegeven en ook door verdachte zelf wordt verklaard dat ze zich hebben omgekleed met het oog op de te plegen overval. [verdachte J] heeft verklaard dat ze zich in de bosjes hebben verstopt en daar vervolgens weer uit gekomen zijn en dat hij met verdachte op een aantal meters afstand van de fietser heeft staan toekijken. Verdachte heeft verklaard dat hij tijdens de overval twee à drie meter is doorgelopen. Door aangever is verklaard dat drie à vier jongens op een paar meter afstand van hem stonden en dat hij geen kans had om weg te lopen. Verdachte heeft zich, door op korte afstand van aangever te blijven staan, dan ook niet gedistantieerd van de poging tot afpersing.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat niet enkel sprake is geweest van een aanwezig zijn van verdachte bij het gepleegde feit en dat voldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is voor het door verdachte medeplegen van de poging tot afpersing.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op 27 december 2010 in de gemeente Winterswijk ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk om zich en anderen wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [sl[slachtoffer F] te dwingen tot de afgifte van geld en/of goed(eren), toebehorende aan die [slachtoffer F], immers heeft verdachte met een of meer van zijn mededaders, die [slachtoffer F] van de fiets geduwd en die [slachtoffer F] toegevoegd: "Geef je geld" en "Geef alles wat je hebt"
en "Geef je mobiel en geld" en zijn verdachte en zijn mededaders op korte afstand van die [slachtoffer F] gaan staan, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op het misdrijf:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De officier van justitie heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een werkstraf van 60 uren, subsidiair 30 dagen jeugddetentie, met aftrek van voorarrest, alsmede een jeugddetentie van 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
De raadsman heeft bepleit om, wanneer geen vrijspraak volgt, verdachte een zodanige werkstraf op te leggen dat deze geen justitiële aantekening tot gevolg zal hebben, hetgeen beter is voor de toekomst van verdachte.
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing, gepleegd met een aantal andere jongens, van een jongen die over een donker bospad fietste.
Dit is een zeer ernstig feit. Dergelijke feiten dragen bij aan het gevoel van onveiligheid op straat, met name bij degene die het overkomt, maar ook bij de mensen die later over het feit horen. Het slachtoffer heeft ook aangegeven dat het gebeuren indruk op hem heeft gemaakt. Hij heeft verklaard dat hij in paniek was en bang was dat hij geslagen zou worden. Later is door hem aangegeven dat hij een tijd een andere weg heeft gefietst.
Ten voordele van verdachte spreekt het uittreksel uit de justitiële documentatie6, waaruit blijkt dat verdachte een blanco strafblad heeft.
De rechtbank heeft voorts bij de strafoplegging rekening gehouden met het rapport van de Jeugdreclassering d.d. 13 december 2011, waarin, zakelijk weergegeven, naar voren wordt gebracht dat verdachte het afgelopen schooljaar is geslaagd. Hij heeft ook een brief geschreven aan het slachtoffer. Verdachte is beïnvloedbaar en heeft een tijd drugs gebruikt. De kans op recidive wordt laag ingeschat. Verdachte functioneert nu op alle levensgebieden goed. De Jeugdreclassering adviseert een geheel voorwaardelijke werkstraf op te leggen. In een verdere begeleidingsperiode door de Jeugdreclassering wordt geen meerwaarde gezien.
De Raad voor de Kinderbescherming heeft eveneens aangegeven een voorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te leggen.
De rechtbank heeft meegewogen dat verdachte reeds zeer lange tijd in een schorsing van de voorlopige hechtenis loopt, gedurende welke schorsing hij begeleiding heeft gekregen van de jeugdreclassering, waaraan verdachte goed heeft meegewerkt.
Alles afwegende, de ernst van de feiten en de persoonlijke omstandigheden van verdachte,
zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf van 50 uren, subsidiair 25 dagen jeugddetentie opleggen, met aftrek van voorarrest. De rechtbank zal hiervan 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, voorwaardelijk opleggen, om verdachte ervan te doordringen dat hij in de toekomst geen strafbare feiten meer pleegt. De proeftijd zal worden gesteld op twee jaren.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 45, 77a, 77g, 77h, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 310 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
* verklaart bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan;
* verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
* verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als:
poging tot afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
* verklaart verdachte strafbaar;
* veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:
een werkstraf gedurende 50 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 25 dagen;
* bepaalt, dat een gedeelte van de werkstraf, groot 20 uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
* beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht;
* heft op het -geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door mrs. Schuurman, voorzitter, tevens kinderrechter, Prisse en Troost, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Van Oosten-Boksem, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 januari 2012.
Eindnoten
1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal nummer 20110096115, Regio Noord- en Oost Gelderland, Team Winterswijk, gesloten en ondertekend op 23 juni 2011.
2 Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer F], p. 251-252
3 Proces-verbaal verhoor [verdachte J], p. 304-305
4 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 292
5 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 297
6 Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 21 november 2011