ECLI:NL:RBZUT:2010:BN4862

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
24 augustus 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/460354-09
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van der Mei
  • Kleinrensink
  • Boerwinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 45 lid 1 SrArt. 302 lid 1 SrArt. 285 lid 1 Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van opzettelijke aanrijding met auto

Verdachte werd beschuldigd van het met opzet aanrijden van zijn zoon en een andere persoon met een auto, met het oogmerk hen zwaar lichamelijk letsel toe te brengen of zelfs te doden. De tenlastelegging betrof incidenten op 16 en 18 september 2009 in Ulft.

De bewijsvoering bestond voornamelijk uit de aangiften van de slachtoffers en verklaringen van een getuige. De verklaringen waren echter tegenstrijdig over de herkenning van verdachte als bestuurder van de auto. De rechtbank achtte de enkele verklaringen onvoldoende overtuigend om wettig en overtuigend bewijs te vormen dat verdachte daadwerkelijk de bestuurder was.

De verdediging voerde aan dat verdachte ontkende en dat de verklaringen van de slachtoffers onbetrouwbaar waren. De rechtbank oordeelde dat de twijfel over de identiteit van de bestuurder niet kon worden weggenomen en sprak verdachte vrij van alle ten laste gelegde feiten.

Daarnaast werd de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering omdat verdachte werd vrijgesproken. Het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis werd opgeheven.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat hij de opzettelijke aanrijdingen heeft gepleegd.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460354-09
Uitspraak d.d.: 24 augustus 2010
tegenspraak / dip
VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [adres op 1962],
wonende te [plaats, adres],
raadsman: mr. M.H. Hogeman, advocaat te Zutphen.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 10 augustus 2010.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij
op of omstreeks 18 september 2009,
te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer A] (zoon van verdachte) van het leven te beroven, met dat opzet met een
(personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer A] is ingereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij
op of omstreeks 18 september 2009,
te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon
genaamd [slachtoffer A] (zoon van verdachte), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel
toe te brengen, met dat opzet met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid
op die [slachtoffer A] is ingereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij
op of omstreeks 18 september 2009,
te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
[slachtoffer A] (zoon van verdachte) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het
leven gericht, althans met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk
dreigend met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer A]
ingereden;
art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij
op of omstreeks 16 september 2009
te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon
genaamd [slachtoffer B], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat
opzet met een (personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer B] is
ingereden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij
op of omstreeks 18 september 2009,
te Ulft, gemeente Oude IJsselstreek,
[slachtoffer B] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met
zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een
(personen)auto met (zeer) hoge snelheid op die [slachtoffer B] ingereden;
art 285 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
Overwegingen ten aanzien van het bewijs1
Standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat aangever [slachtoffer A] bij de politie een gedetailleerde verklaring heeft afgelegd. Met name over de auto heeft aangever een duidelijke verklaring afgelegd, waarbij de omschrijving van de auto overeenkwam met de leenauto waar verdachte op dat moment ook daadwerkelijk in reed. Aangever kon niet weten dat verdachte in die leenauto reed, en dat maakt zijn verklaring ten aanzien van de herkenning van verdachte des te betrouwbaarder. Ook heeft aangever de bestuurder van de auto herkend als zijn vader. Daarnaast heeft een onafhankelijke getuige duidelijke verklaringen afgelegd.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de officier van justitie gesteld dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken. Gelet op de afgelegde verklaringen is het niet wettig en overtuigend te bewijzen dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto. Uit de verklaringen kan niet worden afgeleid of aangever of getuige [slachtoffer A] verdachte heeft herkend als de bestuurder van de auto. Niet uitgesloten kan worden dat enkel de auto is herkend en niet de bestuurder van de auto.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van zowel het onder 1 als het onder 2 ten laste gelegde. Hiertoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte een consistente en duidelijke ontkennende verklaring heeft afgelegd over de beide incidenten. Gelet op de voorgeschiedenis van deze zaak zijn de verklaringen van de aangevers onbetrouwbaar en kan hierop, gelet op de ontkennende verklaringen van verdachte, niet de overtuiging worden gebaseerd dat verdachte de ten laste gelegde delicten heeft gepleegd.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde heeft de raadsman tevens aangevoerd dat enkel aangever heeft verklaard dat het verdachte is geweest die in de auto reed. Tevens heeft de getuige [getuige] verklaard dat zij aanvankelijk dacht dat er sprake was van een ongeluk in plaats van een opzettelijke aanrijding.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman tevens aangevoerd dat de verklaringen van de aangever [slachtoffer B] en de getuigen tegenstrijdigheden bevatten en dat daaruit niet blijkt door wie de bestuurder van de auto is herkend als zijnde verdachte.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan.
Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewijs van het ten laste gelegde is naast de aangifte van [slachtoffer A]2 alleen de verklaring van getuige [getuige]3 voorhanden. Echter voor het bewijs dat het verdachte is geweest, die het ten laste gelegde feit heeft gepleegd, is alleen de aangifte van [slachtoffer A] voorhanden. Op zichzelf rechtvaardigen deze omstandigheden een redelijk vermoeden van schuld.
Echter, gelet op hetgeen verder uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, is de rechtbank van oordeel dat deze enkele verklaring van [slachtoffer A] onvoldoende overtuigend is voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan. De rechtbank zal gelet hierop verdachte vrijspreken van het onder 1, primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde.
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde overweegt de rechtbank als volgt. Voor het bewijs dat verdachte het ten laste gelegde zou hebben begaan is uitsluitend voorhanden de aangifte van [slachtoffer B]4 en de verklaring van getuige [slachtoffer A]5. Aangever geeft echter aan dat getuige [slachtoffer A] de bestuurder zou hebben herkend als verdachte, terwijl getuige [slachtoffer A] aangeeft dat aangever [slachtoffer B] de bestuurder van de auto zou hebben herkend. Beide verklaringen zijn op dit punt dan ook tegenstrijdig met elkaar. Op grond hiervan kan dan ook niet wettig en overtuigend bewezen worden dat verdachte de bestuurder is geweest van het voertuig. Uit de bewijsmiddelen blijkt evenmin op welke wijze aangever, dan wel de getuige, de bestuurder zou hebben herkend. Niet uitgesloten kan worden dat (slechts) de auto is herkend als zijnde de auto van verdachte, zonder dat daarbij daadwerkelijk is gezien wie de bestuurder was.
Nu niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bestuurder is geweest van de auto ten tijde van het ten laste gelegde zal de rechtbank verdachte vrijspreken van zowel het onder 2 primair als subsidiair ten laste gelegde.
Vordering benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer A] zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, nu verdachte is vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. De benadeelde partij kan derhalve haar vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair en het onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;
- verklaart de benadeelde partij [slachtoffer A] niet-ontvankelijk in haar vordering;
- heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.
Aldus gewezen door mr. Van der Mei, voorzitter, mrs. Kleinrensink en Boerwinkel, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Demmers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 24 augustus 2010.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Voetnoten:
1 Wanneer hierna verwezen wordt naar dossierpagina's, betreft dit delen van in de wettelijke vorm opgemaakte processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij (stam)proces-verbaal, nummer 2009076402-19, Regiopolitie Noord- en Oost Gelderland, district Achterhoek, gesloten en ondertekend op 23 oktober 2009.
2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer A], dossierpagina's 65 t/m 67
3 Proces-verbaal van verhoor [getuige], dossierpagina's 72 t/m 75
4 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer B], dossierpagina's 93 t/m 96
5 Proces-verbaal van verhoor [slachtoffer A], dossierpagina's 97 t/m 99