ECLI:NL:RBZUT:2010:BM9512
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- H.C.M. Boon
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering erfgenamen tot overdracht vakantiewoning wegens ontbreken verdeling huwelijksgoederengemeenschap
De zaak betreft een geschil tussen de erven van twee voormalige echtelieden over de verdeling van een vakantiewoning die deel uitmaakte van hun huwelijksgoederengemeenschap. De moeder en vader waren gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn gescheiden in 1990. De moeder overleed in 1994, de vader in 2009. De erven van de moeder vorderen overdracht van de onverdeelde helft van de vakantiewoning uit de nalatenschap van de vader.
De erven stelden dat er afspraken waren gemaakt tussen de ouders over de toedeling van de vakantiewoning aan de moeder, onderbouwd met een handgeschreven verklaring en een brief van de advocaat. De tegenpartij betwistte deze afspraken en stelde dat de huwelijksgoederengemeenschap niet was verdeeld en dat de vordering verjaard was.
De rechtbank oordeelde dat de vordering tot nakoming van afspraken verjaard was op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro. De vordering tot levering van de woning was niet verjaard, maar de erven hadden onvoldoende bewijs geleverd dat er sluitende afspraken waren gemaakt en dat de woning feitelijk was toegedeeld aan de moeder. Uit verklaringen bleek dat de ouders na de echtscheiding samen in de woning hebben gewoond en dat de vader de lening na het overlijden van de moeder heeft afbetaald, wat niet strookt met de stelling van de erven.
De rechtbank concludeerde dat de vakantiewoning en de lening tot de huwelijksgoederengemeenschap behoorden en dat er geen verdeling had plaatsgevonden. De erven hadden slechts recht op een deel van de woning, niet op de gehele helft. De vorderingen werden daarom afgewezen en de proceskosten werden aan de verliezende partij opgelegd.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de erfgenamen af wegens het ontbreken van sluitende afspraken en feitelijke verdeling van de vakantiewoning.