ECLI:NL:RBZUT:2010:BM8592

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
22 juni 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
99-000013-10
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Boerwinkel
  • Van der Hooft
  • Van der Mei
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 SrArt. 15d SrArt. 15f Sr
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens disciplinaire misdragingen en recidivegevaar

De rechtbank Zutphen behandelde op 22 juni 2010 de vordering van het Openbaar Ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling van een veroordeelde die sinds 11 februari 2009 een gevangenisstraf van twee jaar ondergaat. De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidstelling was vastgesteld op 11 juni 2010.

De veroordeelde voerde aan dat hij zo spoedig mogelijk werk wilde zoeken om schade aan de benadeelde partij te vergoeden en dat er geen sprake was van ernstige misdragingen. Hij erkende wel dat hij op een ander adres verbleef dan doorgegeven, maar dit was volgens hem niet ernstig. Tevens stelde hij dat het gebruik van softdrugs niet strafbaar is en dat hij zijn softdrugsgebruik onder controle had.

De rechtbank oordeelde echter dat de veroordeelde meerdere disciplinaire straffen had gekregen vanwege drugsgebruik in detentie, waaronder positieve urinecontroles en het bezit van alcohol. Ook was hij teruggeplaatst naar een gesloten setting vanwege cocaïnegebruik. Ondanks voltooiing van een cova-training bleef het recidiverisico volgens de reclassering hoog gemiddeld, mede door zijn passieve houding en het niet nemen van verantwoordelijkheid.

Gelet op deze feiten en het belang van het voorkomen van recidive, besloot de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling met 100 dagen uit te stellen, te rekenen vanaf 11 juni 2010.

Uitkomst: De rechtbank stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit met 100 dagen vanwege herhaald drugsgebruik en een hoog recidiverisico.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Vi-zaaknummer: 99-000013-10
Uitspraak d.d.: 22 juni 2010
tegenspraak / oip
Beslissing uitstel voorwaardelijke invrijheidstelling
Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Zutphen d.d. 9 juni 2009 (parketnummer 06/580044-09) is
[verdachte],
geboren te [plaats op 1987],
ingeschreven te [plaats, adres],
thans gedetineerd in P.I. Zutphen Ooyerhoek te Zutphen,
raadsman: mr. W.L.M. Fleuren, advocaat te Apeldoorn,
veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, waarvan de tenuitvoerlegging met ingang van 11 februari 2009 is gestart. De voorlopige datum van voorwaardelijke invrijheidsstelling is 11 juni 2010.
De vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie d.d. 11 mei 2010 strekt ertoe dat de rechtbank beslist dat deze voorwaardelijke invrijheidstelling met een termijn van 100 dagen wordt uitgesteld. De vordering bevat de gronden waarop deze berust.
Het openbaar ministerie is ontvankelijk in zijn vordering, nu de vordering op 12 mei 2010 is ontvangen op de griffie van de rechtbank.
De behandeling ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden ter openbare terechtzitting van 8 juni 2010. Van deze behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Door en namens veroordeelde is, zakelijk weergegeven, aangevoerd dat de vordering dient te worden afgewezen. Veroordeelde wil zo spoedig mogelijk werk zoeken, zodat hij de schade aan de benadeelde partij kan vergoeden. Van ernstige misdragingen, zoals genoemd in artikel 15d onder b van het Wetboek van Strafrecht is geen sprake. Nu het gebruik van softdrugs in Nederland wordt gedoogd, dient veroordeelde hier niet voor gestraft te worden. Het gaat in elk geval niet om ernstige misdragingen. Onjuist is dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan afspraken die zijn gemaakt tijdens zijn regimair verlof. Verdachte heeft weliswaar op een ander adres verbleven dan hij had doorgegeven, maar dat kwam omdat hij niet bij zijn ouders terecht kon. Toen is hij naar het adres van (de ouders van) zijn vriendin gegaan. Hij heeft de eerste dag gebeld, de tweede dag niet. Op de derde dag moest hij alweer terug in detentie; hij dacht dat hij toen niet meer hoefde te bellen. Dit gedrag moet dan ook gerelativeerd worden. Het argument dat er recidivegevaar is, moet worden verworpen. Veroordeelde heeft het delict waarvoor hij gedetineerd zit gedurende een proeftijd gepleegd. Daarmee is bij de strafbepaling al rekening gehouden. Het is niet proportioneel om daarmee wederom rekening te houden. Verdachte heeft huisvesting na detentie; hij kan weliswaar niet naar zijn ouders, maar hij kan verblijven bij (de ouders van) zijn vriendin. Zonodig kan hij op [camping in plaats] een stacaravan huren. De aantekeningen onder 2b in de vordering van de officier van justitie worden niet begrepen door veroordeelde en zijn raadsman. Veroordeelde heeft zijn sofdrugsgebruik onder controle en hij heeft wel degelijk een gesprek gehad met de medische dienst. Veroordeelde heeft goede mogelijkheden om te gaan werken. Hij is een goede werker. Dit blijkt ook uit het v.i.-advies.
Subsidiair wordt verzocht om veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid te stellen met bijzondere voorwaarden.
De motivering
Veroordeelde heeft gedurende de tenuitvoerlegging van zijn straf meermalen een disciplinaire straf opgelegd gekregen. Driemaal voor een positieve urinecontrole en eenmaal omdat er in zijn cel een fles gevonden is waar alcohol in heeft gezeten. Veroordeelde geeft ook toe dat hij in detentie (soft)drugs heeft gebruikt. Niet bestreden is bovendien dat veroordeelde terug is geplaatst naar een gesloten setting in verband met cocaïnegebruik. Verder acht de rechtbank van belang dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan afspraken die met hem zijn gemaakt met betrekking tot het regimair verlof. De uitleg die veroordeelde daarbij geeft, maakt het schenden van die afspraken niet verschoonbaar.
De rechtbank ziet op grond van het vorenstaande reeds aanleiding om de voorwaardelijke invrijheidstelling uit te stellen. Veroordeelde is gezien de meerdere disciplinaire maatregelen voor drugsgebruik tijdens zijn detentie hardleers gebleken. Veroordeelde is herhaaldelijk gewaarschuwd dat zijn gedrag niet werd getolereerd, maar hij heeft zich hier klaarblijkelijk weinig van aangetrokken. De redenen die veroordeelde aanvoert voor het blowen doen hieraan niet af, wat daar ook van moge zijn. De omstandigheid dat veroordeelde inmiddels de cova-training heeft voltooid leidt de rechtbank, gezien de ernst van de misdragingen, niet tot een ander oordeel. De rechtbank is daarbij van oordeel dat door het stellen van voorwaarden het recidiverisico voor misdrijven onvoldoende kan worden ingeperkt. Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld.
Gezien de hoeveelheid leefgebieden die niet goed verlopen, de passieve houding die veroordeelde aanneemt, het niet nemen van verantwoordelijkheid voor zijn gedrag en zijn berekenende opstelling acht de reclassering het risico dat veroordeelde in herhaling valt groot. Ondanks de ideeën die veroordeelde ter zitting heeft geventileerd, is het recidiverisico naar het oordeel van de rechtbank (nog) onvoldoende ingeperkt.
Het argument van veroordeelde dat hij in vrijheid dient te worden gesteld om werk te kunnen vinden om zo de vordering van de benadeelde partij te kunnen voldoen, weegt niet op tegen de gronden en het belang om de voorwaardelijke invrijheidsstelling uit te stellen.
Gelet op het vorenstaande, zelfstandig en in onderlinge samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat de vordering dient te worden toegewezen.
Toepasselijke wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15, 15d en 15f Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank:
- wijst de vordering tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe;
- bepaalt de duur waarop de voorwaardelijke invrijheidstelling wordt uitgesteld op een periode van 100 dagen, te rekenen vanaf de oorspronkelijke datum van de voorwaardelijke invrijheidstelling te weten 11 juni 2010.
Deze beslissing is gegeven door mrs. Boerwinkel, voorzitter, Van der Hooft en Van der Mei, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Oosting, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 22 juni 2010.