ECLI:NL:RBZUT:2007:BB5156
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.M.A.G. van Valderen
- Rechtspraak.nl
Bevoegdheid Nederlandse rechter en vernietiging echtscheidingsconvenant op grond van actio Pauliana
In deze civiele zaak vorderen de erfgenamen vernietiging van het echtscheidingsconvenant en de akte van verdeling tussen de ex-echtgenoten, op grond van de actio Pauliana (art. 3:45 BW Pro), wegens benadeling van schuldeisers. De rechtbank onderzoekt de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en oordeelt dat deze niet kan worden gebaseerd op de EEX-verordening, maar wel op artikel 9 Rv Pro, aangezien de debiteuren de rechtsmacht niet betwisten.
De feiten betreffen een huwelijk in gemeenschap van goederen, gevolgd door echtscheiding en verdeling waarbij de woning aan een van de ex-echtgenoten werd toegewezen tegen een waarde die niet in verhouding stond tot de werkelijke waarde, waardoor benadeling van schuldeisers mogelijk was. Diverse leningen van de overleden vader aan een van de ex-echtgenoten en andere geldleningen zijn onderwerp van geschil.
De rechtbank verwerpt het verweer van verjaring en oordeelt dat de vorderingen tijdig zijn ingesteld. Er wordt vastgesteld dat de debiteur vrij is om over zijn vermogen te beschikken, tenzij hij weet of behoort te weten dat daarmee schuldeisers worden benadeeld. Bewijslevering wordt toegewezen om vast te stellen of de leningen daadwerkelijk zijn verstrekt en of er sprake is van benadeling.
De rechtbank wijst tevens toe dat de debiteur een lening van €3.500 aan een van de eisers moet terugbetalen, inclusief rente. Het verzoek tot gedeeltelijke vrijgave van een depot wordt afgewezen zolang het bewijs niet is geleverd. Alle verdere beslissingen worden aangehouden voor nadere bewijslevering en conclusies na enquête.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat zij bevoegd is, wijst bewijslevering toe en veroordeelt [gedaagde A] tot terugbetaling van een lening met rente, terwijl verdere beslissingen worden aangehouden.