ECLI:NL:RBZUT:2007:BA1936

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
27 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/460653-06
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Borgerhoff Mulder
  • Van der Hooft
  • Lucassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 27 Sr
Verwijzingen
12 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging tot doodslag met langdurige gevangenisstraf

Op 1 december 2006 heeft verdachte samen met een ander het slachtoffer meerdere malen met een mes gestoken, wat heeft geleid tot ernstige verwondingen. De rechtbank oordeelde dat verdachte medepleger is van poging tot doodslag en veroordeelde hem tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De rechtbank sprak verdachte vrij van een tweede tenlastelegging wegens gebrek aan wettig bewijs. Tijdens de zitting bleek dat verdachte de ernst van zijn handelen niet inzag en geen spijt toonde. De rechtbank hield rekening met de ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en het algemene belang bij strafoplegging.

De benadeelde partij vorderde schadevergoeding, waarvan €750,- werd toegewezen voor immateriële schade. De rechtbank legde verdachte tevens een betalingsverplichting aan de Staat op ten behoeve van het slachtoffer. Het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, en moet schadevergoeding betalen aan het slachtoffer.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/460653-06
Uitspraak d.d.: 27 maart 2007
TEGENSPRAAK / dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] ([land]) op [geboortedatum],
wonende te [plaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring te Doetinchem.
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 maart 2007.
De tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in
vereniging met een ander en/of alleen, (telkens) opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, (telkens) met dat opzet meermalen, althans eenmaal, die [slachtoffer] met (een) mes(sen), althans met (een) scherp(e) en/of puntig voorwerp(en), in de rug(streek) en/of in de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft gestoken en/of gestoten en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
art 287 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk, tezamen en in vereniging, en/of alleen, (telkens) aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (diverse (diepe) steekwonden), heeft toegebracht, door deze [slachtoffer] (telkens) opzettelijk meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en),in de rugstreek en/of in de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, te steken en/of te stoten en/of te snijden;
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op één of meer tijdstip(pen) op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente [plaats], tezamen en in vereniging, en/of alleen, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], (telkens) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, (telkens) met dat opzet die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp in de rug en/of de maagstreek en/of het hoofd, althans het lichaam, heeft gestoken/gestoten en/of gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
art 47 lid Pro ahf/sub 1 Wetboek van Strafrecht
art 302 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 45 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
ALTHANS, dat
hij op of omstreeks 01 december 2006 in de gemeente Harderwijk met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, Rabbisstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer], welk geweld bestond uit het meermalen, althans eenmaal, met (een) mes(sen), althans met (een) scherp en/of puntig voorwerp(en), in het hoofd en/of in de maagstreek en/of in de rugstreek, althans in het lichaam van die [slachtoffer] steken en/of stoten;
art 141 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
2.
hij op of omstreeks 01 december 2006 te Harderwijk tezamen en in vereniging met een ander of anderen en/of alleen, opzettelijk mishandelend [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal,
- in/op/tegen het gezicht/hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of
- op/tegen het lichaam heeft geslagen/gestompt (terwijl deze [slachtoffer] op
de grond lag), waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;
art 300 lid 1 Wetboek Pro van Strafrecht
art 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Vrijspraak
Ter terechtzitting heeft de officier van justitie betreffende het onder 2 tenlastegelegde feit gerekwireerd tot vrijspraak. De officier van justitie heeft daartoe aangevoerd dat zij het feitencomplex dat onder 2 is ten laste gelegd beschouwt als opgaand in het onder 1 tenlastegelegde. Ook de raadsvrouw van verdachte heeft tot vrijspraak geconcludeerd, onder verwijzing naar het door de officier van justitie naar voren gebrachte.
De rechtbank is van oordeel dat het bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde niet aan wettige bewijsmiddelen kan worden ontleend, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijsproken.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op 1 december 2006 in de gemeente Harderwijk, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet meermalen die [slachtoffer] met een mes of puntig voorwerp, in de rug(streek) en/of het hoofd heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
De rechtbank verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Het medeplegen van een poging tot doodslag.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
De rechtbank acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat op zeer ernstige wijze inbreuk is gemaakt op de lichamelijke integriteit van [slachtoffer]. Uit het verhandelde ter terechtzitting blijkt dat verdachte zich samen met een ander heeft doen gelden ten opzichte van het slachtoffer: terwijl hij het slachtoffer vasthield heeft zijn medeverdachte het slachtoffer meermalen in het hoofd gestoken en zelf heeft hij het slachtoffer ook nog eens met een mes meermalen in de rug gestoken. Het toebrengen van steken heeft bij het slachtoffer aanzienlijke verwondingen veroorzaakt en de gevolgen hadden veel ernstiger kunnen zijn. Dat het bij deze verwondingen is gebleven, is een omstandigheid die niet aan verdachte te danken is.
Gedurende het onderzoek ter terechtzitting heeft verdachte er blijk van gegeven de laakbaarheid van zijn handelen niet in te zien. Daarnaast is ook niet gebleken dat verdachte bereid is verantwoordelijkheid voor zijn daad te nemen of dat hij spijt heeft van zijn handelwijze. De rechtbank is er dan ook niet gerust op dat herhaling van een vergelijkbaar vergrijp in de toekomst is uitgesloten.
Misdrijven als de onderhavige hebben niet alleen negatieve gevolgen voor slachtoffers, maar wakkeren daarnaast gevoelens van onveiligheid aan bij het uitgaand publiek, dat zich vrij moet kunnen voelen onbekommerd van een avond uit te genieten.
Deze omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het opleggen van een langdurige gevangenisstraf. In zoverre dient dan ook het persoonlijke belang van verdachte om op korte termijn terug te keren in de maatschappij te wijken voor het algemeen belang misdrijven als de onderhavige met strafoplegging te vergelden.
In het voordeel van verdachte weegt de rechtbank bij de strafoplegging mee dat hij nog niet eerder voor een soortgelijk feit tot straf is veroordeeld. Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt dat, en de leeftijd van verdachte, dat een lagere straf wordt opgelegd dan de straf die de officier van justitie heeft geëist.
Teneinde verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw schuldig te maken aan het plegen van een soortgelijk feit, zal de rechtbank een deel van de voorgenomen straf in voorwaardelijke vorm opleggen.
Alles afwegende, acht de rechtbank na te melden straf passend en geboden.
Vordering tot schadevergoeding
De benadeelde partij [slachtoffer] heeft zich met een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van € 1.050,= gevoegd in het strafproces ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij wat betreft de materiële schadevergoeding geen onderbouwing heeft gegeven van de door hem geleden schade en acht dat gedeelte van de vordering niet eenvoudig van aard, zodat de vordering van de benadeelde partij in zoverre niet-ontvankelijk is.
Naar het oordeel van de rechtbank is, op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en hetgeen verder ter terechtzitting met betrekking tot de vordering is gebleken, komen vast te staan dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 primair bewezen verklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag, welk bedrag verdachte niet heeft weersproken, terwijl verdachte naar burgerlijk recht voor deze immateriële schade aansprakelijk is. De vordering dient tot dit bedrag te worden toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Gelet op het vorenstaande ziet de rechtbank aanleiding om aan verdachte op basis van het bepaalde in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting op te leggen tot betaling aan de Staat van een som gelds ten behoeve van genoemd slachtoffer.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze strafoplegging is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27, 36f, 45, 47, 287 van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart niet bewezen, dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het onder 1 primair tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 (zesendertig) maanden.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 6 (zes) maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van twee jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Beveelt, dat de tijd, door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorge-bracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht.
Veroordeelt verdachte tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij [slachtoffer], van een bedrag van € 750,=, vermeerderd met betaling van de kosten van het geding en de tenuitvoerlegging door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 december 2006.
Legt aan veroordeelde de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], een bedrag te betalen van € 750,= met bevel dat bij gebreke van betaling en verhaal 15 dagen hechtenis zal kunnen worden toegepast zonder dat de betalingsverplichting vervalt.
Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering en bepaalt dat de benadeelde partij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
Verstaat dat indien en voor zover door de mededader het betreffende schadebedrag is betaald, veroordeelde daarvan zal zijn bevrijd.
Bepaalt dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien veroordeelde heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.
Wijst het verzoek tot opheffing van het bevel tot voorlopige hechtenis en de onmiddellijke invrijheidstelling van veroordeelde af.
Aldus gewezen door mrs. Borgerhoff Mulder, voorzitter, Van der Hooft en Lucassen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Kuipers, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 27 maart 2007.