ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ4992

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
22 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
82053 - KG ZA 06-318
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • W.H. Westhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling stiefvader tot voorschot schadevergoeding voor mishandeling minderjarige

De rechtbank Zutphen behandelde een kort geding waarin Bureau Jeugdzorg als bijzonder curator en de moeder van een mishandeld 3-jarig kind een vordering tot schadevergoeding instelden tegen de stiefvader. Zowel de moeder als de stiefvader waren door de strafrechter veroordeeld voor medeplegen van poging tot doodslag en zware mishandeling van het kind.

De rechtbank oordeelde dat de moeder niet-ontvankelijk was in haar vordering omdat Bureau Jeugdzorg als bijzonder curator exclusief gemachtigd was om namens het kind op te treden. De vordering van Bureau Jeugdzorg tot betaling van een voorschot op de materiële en immateriële schade van het kind werd toegewezen tot een bedrag van €10.000, te storten op een door Bureau Jeugdzorg te beheren rekening.

De rechtbank nam mee dat de totale schade van het kind waarschijnlijk veel hoger is dan het voorschot en dat ook door derden, zoals de grootmoeder, kosten zijn gemaakt die de schade verder verhogen. Kosten voor rechtsbijstand werden niet als voorschot toegewezen omdat de moeder op toevoeging procedeerde. De stiefvader werd veroordeeld tot betaling van het voorschot en de proceskosten, terwijl verdere vorderingen werden afgewezen.

Het vonnis werd op 22 december 2006 door de voorzieningenrechter W.H. Westhuis in het openbaar uitgesproken en is direct uitvoerbaar verklaard.

Uitkomst: De stiefvader is veroordeeld tot betaling van een voorschot van €10.000 aan Bureau Jeugdzorg voor de door de minderjarige geleden schade.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel – Afdeling Handel
zaaknummer / rolnummer: 82053 / KG ZA 06-318
Vonnis in kort geding van 22 december 2006
in de zaak van
1. de stichting BUREAU JEUGDZORG GELDERLAND,
gevestigd te Arnhem,
eiseres in haar hoedanigheid van bijzonder curator over de minderjarige [slachtoffer ], geboren op [geboortedatum],
2. [eiseres],
wonende te [plaats], [gemeente],
eiseres in haar hoedanigheid van met het gezag belaste ouder over de minderjarige [slachtoffer ] voornoemd,
procureur: mr. P. Buikes,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats],
gedaagde,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden genoemd Bureau Jeugdzorg, [eiseres] en [gedaagde].
1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, betekend op 29 november 2006
- de mondelinge behandeling ter terechtzitting van 18 december 2006
- het tegen gedaagde verleende verstek.
1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De beoordeling
2.1. In deze procedure is gevraagd een voorschot vast te stellen van de vergoeding van schade die geleden is als gevolg van de mishandelingen van de minderjarige [slachtoffer].
2.2. Niet alleen [gedaagde], maar ook [eiseres] is door deze rechtbank veroordeeld terzake van medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van poging tot zware mishandeling. Nu de vordering ten aanzien van [gedaagde] voor wat betreft de door [slachtoffer] geleden schade in overwegende mate wordt gebaseerd op zijn veroordeling door de strafrechter de gedragingen moet er rekening mee worden gehouden dat ook [eiseres] voor de door [slachtoffer] geleden schade aansprakelijk kan worden gesteld. In verband met de mogelijk daaruit voorvloeiende tegengestelde belangen is Bureau Jeugdzorg door de kantonrechter tot bijzonder curator benoemd. Uit de beschikking van de kantonrechter d.d. 13 november 2006 blijkt dat de bijzonder curator is gemachtigd, in plaats van de moeder als de met het gezag beklede ouder, in deze in rechte op te treden. Anders dan in de dagvaarding wordt gesteld kan uit die beschikking niet blijken dat [eiseres] naast de bijzonder curator door de kantonrechter daartoe is gemachtigd. [eiseres] zal daarom in haar vordering niet ontvankelijk worden verklaard.
2.3. Voor zover de vordering van Bureau Jeugdzorg betrekking heeft op de door [slachtoffer] zelf geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade komt deze niet onrechtmatig of ongegrond voor en zal deze als volgt worden toegewezen. Aannemelijk is dat de totale door [slachtoffer] geleden en nog te lijden schade hier aanmerkelijk bovenuit zal gaan. Voor wat betreft de door derden geleden schade, de zogenaamde verplaatste schade, is daarbij in aanmerking genomen dat voldoende aannemelijk is geworden dat deze kosten betrekking hebben op door anderen dan [eiseres], in het bijzonder door de grootmoeder van [slachtoffer], gemaakte kosten. Daarbij is voldoende aannemelijk gemaakt dat het totale bedrag van de door derden, en met name door de grootmoeder van [slachtoffer], gemaakte kosten aanmerkelijk hoger is dan het gevorderde bedrag.
2.4. Gesteld noch gebleken is dat in verband met de door [slachtoffer] geleden schade zodanige kosten van rechtsbijstand zijn gemaakt of zullen worden gemaakt dat daarvoor thans reeds een voorschot dient te worden vastgesteld. Daartoe bestaat te minder aanleiding nu [eiseres] procedeert op grond van een haar verleende toevoeging. Dit deel van de vordering zal daarom worden afgewezen.
2.5. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling aan Bureau Jeugdzorg van een bedrag van € 10.000,-- als voorschot op de door hem te betalen schadevergoeding, op een daartoe door de Bureau Jeugdzorg te openen en voor [slachtoffer] te beheren rekening.
2.6. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van eiseressen q.q. worden begroot op
- dagvaarding EUR 84,87
- vast recht 330,00
- overige kosten 0,00
- salaris procureur 527,00
Totaal EUR 941,87
2.7. Bureau Jeugdzorg wordt geacht in dezen te procederen op basis van de aan [eiseres] verleende toevoeging, Het hiervoor genoemde bedrag zal daarom aan de griffier moeten worden betaald door overmaking op rekeningnummer [nummer] ten name van arrondissement Zutphen onder vermelding van "proceskostenveroordeling" en het zaak- en rolnummer.
3. De beslissing
De voorzieningenrechter
3.1. verklaart [eiseres] niet ontvankelijk in haar vordering;
3.2. veroordeelt [gedaagde] om aan Bureau Jeugdzorg te betalen een bedrag van EUR 10.000,00 (tienduizend euro);
3.3. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van eiseres q.q. tot op heden begroot op EUR 941,87;
3.4. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5. wijst af hetgeen meer of anders is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.H. Westhuis en in het openbaar uitgesproken op 22 december 2006.?
cm/wh