ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ2293
Rechtbank Zutphen
- Kort geding
- G. Vrieze
- Rechtspraak.nl
Afwijzing vordering omgang met hond na beëindiging samenwoning wegens onvoldoende eigendomsbewijs
Partijen hebben van 1991 tot 15 april 2005 samengewoond zonder samenlevingsovereenkomst. Tijdens de samenwoning hadden zij vier katten en twee honden, waaronder de hond in kwestie. Na beëindiging van de relatie behielden zij ieder twee katten, terwijl de honden bij de gedaagde achterbleven in de voormalige gezamenlijke woning.
De eiser vorderde dat de hond aan hem zou worden toegewezen of dat hij het recht zou krijgen de hond om de veertien dagen een weekend mee te nemen. De gedaagde voerde verweer en stelde eigenaar van de hond te zijn.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de gedaagde de hond sinds het einde van de relatie in bezit heeft en op grond van het Burgerlijk Wetboek als eigenaar wordt vermoed. De eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd voor gezamenlijk eigendom. De rechtbank verwierp de vordering en oordeelde dat het omgangsrecht zoals bij kinderen niet analoog kan worden toegepast op de hond. De eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tot omgang met de hond wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijk eigendom.