ECLI:NL:RBZUT:2006:AZ0116

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
13 oktober 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
06/802473-05
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Van Hoorn
  • Vaandrager
  • Schmitz
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor opzetheling van goudafval tot werkstraf van 240 uren

De rechtbank Zutphen heeft verdachte veroordeeld voor het meermalen verwerven, voorhanden hebben, overdragen en verkopen van goudklompjes en platina waarvan hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze door misdrijf waren verkregen. Dit betrof een periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 in de gemeenten Brummen en Amsterdam.

Verdachte voerde aan dat hij pas vanaf 2003 vermoedde dat het goud afkomstig was van diefstal, maar de rechtbank verwierp dit verweer op basis van verklaringen van verdachte zelf en een getuige die stelde dat verdachte wist dat het goud uit illegale bron kwam. De rechtbank achtte het wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk heeft deelgenomen aan de heling.

De rechtbank legde een werkstraf van 240 uren op, met een vervangende hechtenis van 120 dagen indien deze niet wordt verricht. Daarnaast werd een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden opgelegd met een proeftijd van 2 jaar. De straf is mede gebaseerd op het feit dat verdachte meerdere malen veroordeeld is voor vermogensdelicten en met de verkoop van het goud een aanzienlijk bedrag heeft verdiend.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een werkstraf van 240 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Straf
Meervoudige kamer
Parketnummer: 06/802473-05
Uitspraak d.d.: 13 oktober 2006
Tegenspraak / dip
VERKORT VONNIS
in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren te [plaats] op [geboortedatum] 1976,
wonende te [adres en woonplaats]
Onderzoek van de zaak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting
van 29 september 2006.
De tenlastelegging
Nadat de tenlastelegging op de terechtzitting is gewijzigd is aan de verdachte ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2000 tot en met 01 augustus 2005 te Eerbeek, gemeente Brummen en/of in de gemeente Amsterdam, in elk geval in Nederland, (telkens) een hoeveelheid goudklompjes (electrolytisch gewonnen goudnuggets) en/of platina heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft verkocht, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen en/of verkopen van genoemd goud en/of platina (telkens) wist, en/of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;
art 416 lid 1 ahf Pro/ond a Wetboek van Strafrecht
art 417bis Wetboek van Strafrecht
Taal- en/of schrijffouten
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten en/of kennelijke omissies voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsoverweging
Door en namens verdachte is ter terechtzitting aangevoerd dat verdachte eerst vanaf 2003 vermoedde dat de goudsheets afkomstig waren van diefstal dan wel verduistering.
De rechtbank verwerpt dit verweer en is van oordeel dat verdachte gedurende de gehele periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 wist dat het goud dat hij van medeverdachte kreeg, uit illegale bron verkregen was. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking de verklaring van verdachte, zoals hij die heeft afgelegd bij de politie (dossierpagina 145), waarin hij verklaart dat hij zich nooit heeft afgevraagd waar het goud vandaan kwam en dat hij zichzelf niet in de vingers gaat snijden. Voorts acht de rechtbank de verklaring van [ge[getuige] (dossierpagina 120) van belang, waarin zij verklaart dat zij weet dat verdachte samen met medeverdachte goud gestolen heeft, dat verdachte dit zelf aan haar heeft verteld alsook dat hij heeft verteld dat [medeverdachte] bij [bedrijf] werkte. Hoewel de rechtbank beseft dat de inbraak in het bedrijf [bedrijf] niet aan de verdachte ten laste is gelegd, blijkt uit de verklaring van verdachte, bezien tegen de achtergrond van de verklaring van [getuige] evenwel dat verdachte in ieder geval wist dat het goud(afval) uit illegale bron verkregen was.
Bewezenverklaring
Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, te weten dat:
hij op tijdstippen in de periode van 1 mei 2000 tot en met 1 mei 2003 te gemeente Brummen en in de gemeente Amsterdam, telkens een hoeveelheid goudklompjes (elektrolytisch gewonnen goudnuggets) heeft verworven, voorhanden heeft gehad en heeft overgedragen en heeft verkocht, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van
genoemd goud telkens wist dat het door misdrijf verkregen goederen betrof.
Vrijspraak van het meer of anders tenlastegelegde
Wat meer of anders is ten las-te gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is naar het oordeel van de rechtbank niet bewezen. De verdachte behoort daarvan te worden vrijgesproken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezene levert op het misdrijf:
Opzetheling, meermalen gepleegd.
Strafbaarheid van de verdachte
Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.
Oplegging van straf en/of maatregel
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I).
Gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede gelet op de persoon en de omstandigheden van de verdachte zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank een taakstraf als na te melden op zijn plaats. Deze taakstraf zal moeten worden verricht op een projectplaats als opgenomen in de door de Stichting Reclassering Nederland gehanteerde lijst van projectplaatsen. De rechtbank heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen dat verdachte meermalen goud(afval) voorhanden heeft gehad, dit tezamen met zijn mededader heeft omgesmolten tot goudklompjes, terwijl hij wist dat dit goud een misdadige herkomst had. Door aldus te handelen heeft verdachte andere misdrijven ondersteund en deze daarmee begunstigd. In de omstandigheid dat verdachte reeds meerdere malen veroordeeld is terzake vermogensdelicten en in de omstandigheid dat hij – zoals hij ter zitting heeft verklaard – met de verkoop van dit goud een aanzienlijk bedrag, te weten 15.000 tot 20.000 euro, heeft verdiend, ziet de rechtbank termen aanwezig aan verdachte een werkstraf van langere duur op te leggen dan door de officier van justitie is geëist.
De rechtbank acht een voorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats teneinde verdachte ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Deze beslissing is gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Beslissing
De rechtbank beslist als volgt.
Verklaart, zoals hiervoor overwogen, bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart verdachte strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) maanden.
Bepaalt, dat de gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat veroordeelde zich vóór het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Veroordeelt de verdachte tot de navolgende taakstraf, te weten:
een werkstraf gedurende 240 (tweehonderdveertig) uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 (honderdtwintig) dagen.
Beveelt dat voor de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van de taakstraf in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van die straf uren in mindering worden gebracht volgens de maatstaf dat per dag in verzekering doorgebracht 2 uur in mindering wordt gebracht.
Aldus gewezen door mrs. Van Hoorn, voorzitter, Vaandrager en Schmitz, rechters, in tegenwoordigheid van mr. Meerdink, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 13 oktober 2006.