ECLI:NL:RBZUT:2006:AV7776

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
29 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
06/080079-99
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • Elders
  • Van der Hooft
  • Doll
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 577b Sv
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot kwijtschelding of matiging ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel

Veroordeelde heeft bij vonnis van 14 augustus 2001 een betalingsverplichting opgelegd gekregen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €113.445,05, met een vervangende hechtenis van 26 maanden bij niet-betaling.

In 2005 heeft veroordeelde een verzoek ingediend tot kwijtschelding of matiging van deze betalingsverplichting, stellende dat hij slechts €100 per maand kan betalen vanwege zijn financiële situatie. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat veroordeelde niet meer over het wederrechtelijk verkregen voordeel beschikt of dat hij geen vermogensobjecten heeft waarop verhaal mogelijk is.

Veroordeelde heeft aangegeven dat een deel van het voordeel is aangewend voor de aankoop van een zomerhuisje dat op naam van zijn ex-vriendin staat, en dat hij belangen heeft in twee besloten vennootschappen, maar heeft geen voldoende informatie verstrekt over de waarde daarvan of actie ondernomen om de vordering te gelde te maken.

De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden niet zodanig zijn gewijzigd dat kwijtschelding of verdere vermindering gerechtvaardigd is. Ook is niet aannemelijk dat veroordeelde in de toekomst niet aan de betalingsverplichting kan voldoen, zeker niet indien een ruimere betalingstermijn wordt geboden.

Het verzoek tot kwijtschelding of matiging wordt daarom afgewezen. De rechtbank benadrukt dat zij in de executiefase niet kan ingrijpen in afbetalingsregelingen tussen het CJIB en veroordeelde.

Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Parketnummer: 06/080079-99
Bvs-nr. 06/32
De rechtbank heeft te beslissen op een op 20 september 2005 ter griffie van deze rechtbank binnengekomen verzoekschrift ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering van:
[verzoeker],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
wonende te [postcode en woonplaats], [adres].
De rechtbank heeft de procestukken bezien.
Het verzoekschrift is in het openbaar behandeld door de raadkamer op 15 maart 2006. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
Motivering
1. Bij onherroepelijk geworden vonnis van deze rechtbank van 14 augustus 2001 is aan veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van f 250.000,-- (thans:
€ 113.445,05), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 26 maanden hechtenis.
2. Veroordeelde heeft op 20 september 2005 een verzoekschrift ingediend, dat hij heeft aangevuld bij brief d.d. 18 januari 2006.
3. Veroordeelde heeft tijdens de behandeling aangevoerd dat hij niet kan voldoen aan de door het CJIB gestelde voorwaarden om vóór 1 maart 2006 een aanbetaling te doen van minimaal € 20.000,-- en voldoening van het overige deel van voormeld bedrag voor 1 januari 2008. Gelet op zijn huidige financiële positie is hij in staat om € 100,-- per maand te betalen.
4. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot afwijzing van het door veroordeelde gedane verzoek. De rechtbank heeft destijds reeds aanleiding gezien het geschatte voordeel te matigen. Voor zover er thans al gesproken kan worden van gewijzigde omstandigheden, zijn deze omstandigheden niet van zodanige aard dat die tot verdere vermindering of kwijtschelding zouden moeten leiden. Voorts is het niet aannemelijk geworden, dat veroordeelde in de toekomst niet in staat zou zijn aan de betalingsverplichting te voldoen, zeker indien er een ruimere betalingstermijn geboden zou worden.
5. Uit de stukken en de behandeling ter zitting is de rechtbank voorts het volgende gebleken.
Het destijds geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is aanzienlijk gematigd tot een bedrag dat veroordeelde in zijn werkbare leven nog zou kunnen betalen.
Tijdens de behandeling heeft veroordeelde stukken overgelegd waaruit zou moeten blijken, dat hij in een slechte financiële postitie zou verkeren. Hij heeft gesteld dat hij thans geen afbetalingscapaciteit meer heeft van € 200,-- per maand, maar slechts een afbetalingscapaciteit van € 100,-- per maand. De opgave die veroordeelde heeft overgelegd is echter summier en ook zeer beperkt onderbouwd en veroordeelde heeft daaromtrent geen verdere duidelijkheid kunnen of willen verschaffen.
Gebleken is dat veroordeelde destijds een deel van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel heeft aangewend voor de aankoop van een zomerhuisje dat op naam is komen te staan van zijn ex-vriendin. Op een vraag over de hoogte van het bedrag heeft hij geen antwoord gegeven. Hij heeft meegedeeld dat hij geen actie zal ondernemen de vordering tegen zijn ex-vriendin te gelde te maken.
Voorts heeft veroordeelde aangegeven dat hij belangen heeft in een tweetal besloten vennootschappen. Hij heeft desgevraagd echter geen althans onvoldoende opening van zaken gegeven over de waarde die de belangen van die besloten vennootschappen vertegenwoordigt.
6. Naar het oordeel van de rechtbank is niet aannemelijk geworden dat veroordeelde niet meer beschikt over het wederrechtelijk verkregene en dat bij hem geen vermogensobjecten resteren waarop verhaal mogelijk is. Voorts is niet aannemelijk geworden, dat hij in de nabije toekomst niet in staat zal zijn aan de betalings-verplichting te voldoen. Dat veroordeelde de hierboven bedoelde vordering om voor hem moverende redenen niet te gelde maakt blijft voor veroordeeldes eigen rekening en risico.
De rechtbank zal het verzoek voor zover dat strekt tot kwijtschelding danwel tot vermindering van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel is vastgesteld, afwijzen.
7. De rechtbank merkt ten overvloede op dat zij in de executiefase niet kan treden in afbetalingsregelingen die worden gesloten tussen het CJIB en veroordeelden.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek tot kwijtschelding dan wel vermindering ex artikel 577b van het Wetboek van Strafvordering af.
Deze beslissing is gegeven door mrs. Elders, voorzitter, Van der Hooft en Doll, rechters,
in tegenwoordigheid van Jansen, griffier, uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 maart 2006 en is ondertekend door het oudste lid van de raadkamer en de griffier.