ECLI:NL:RBZUT:2006:AV7776
Rechtbank Zutphen
- Eerste aanleg - meervoudig
- Elders
- Van der Hooft
- Doll
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot kwijtschelding of matiging ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel
Veroordeelde heeft bij vonnis van 14 augustus 2001 een betalingsverplichting opgelegd gekregen tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter hoogte van €113.445,05, met een vervangende hechtenis van 26 maanden bij niet-betaling.
In 2005 heeft veroordeelde een verzoek ingediend tot kwijtschelding of matiging van deze betalingsverplichting, stellende dat hij slechts €100 per maand kan betalen vanwege zijn financiële situatie. De rechtbank heeft het verzoek beoordeeld en geconcludeerd dat het niet aannemelijk is dat veroordeelde niet meer over het wederrechtelijk verkregen voordeel beschikt of dat hij geen vermogensobjecten heeft waarop verhaal mogelijk is.
Veroordeelde heeft aangegeven dat een deel van het voordeel is aangewend voor de aankoop van een zomerhuisje dat op naam van zijn ex-vriendin staat, en dat hij belangen heeft in twee besloten vennootschappen, maar heeft geen voldoende informatie verstrekt over de waarde daarvan of actie ondernomen om de vordering te gelde te maken.
De rechtbank oordeelt dat de omstandigheden niet zodanig zijn gewijzigd dat kwijtschelding of verdere vermindering gerechtvaardigd is. Ook is niet aannemelijk dat veroordeelde in de toekomst niet aan de betalingsverplichting kan voldoen, zeker niet indien een ruimere betalingstermijn wordt geboden.
Het verzoek tot kwijtschelding of matiging wordt daarom afgewezen. De rechtbank benadrukt dat zij in de executiefase niet kan ingrijpen in afbetalingsregelingen tussen het CJIB en veroordeelde.
Uitkomst: Het verzoek tot kwijtschelding of vermindering van de ontnemingsvordering wordt afgewezen.