ECLI:NL:RBZUT:2006:AV2576

Rechtbank Zutphen

Datum uitspraak
27 februari 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
75815 JERK 06-98
Instantie
Rechtbank Zutphen
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 800 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervallenverklaring spoedmachtiging tot uithuisplaatsing wegens plaatsgebrek in instelling

De rechtbank Zutphen behandelde het verzoek tot vervallenverklaring van een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in een justitiële jeugdinrichting (JJI). De machtiging was op 8 februari 2006 verleend met een geldigheidsduur tot 8 mei 2006 en met de bepaling dat de minderjarige binnen twee weken zijn mening aan de kinderrechter kon kenbaar maken.

De Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland verzocht om intrekking van de machtiging omdat er door minimale doorstroom geen plaats was in de JJI. Om te voorkomen dat de minderjarige kennis zou nemen van de beschikking voordat hij op een veilige plek was, werd besloten de machtiging niet aan hem bekend te maken. Hierdoor kon de minderjarige niet binnen de gestelde termijn worden gehoord, wat een vereiste is volgens artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De kinderrechter constateerde dat door het ontbreken van plaats in de instelling en het niet kunnen horen van de minderjarige de machtiging haar kracht verloor. Daarom werd de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing vervallen verklaard. De uitspraak werd gedaan op 27 februari 2006 door mr. G.W. Brands-Bottema.

Uitkomst: De spoedmachtiging tot uithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting is vervallen verklaard vanwege plaatsgebrek en het niet kunnen horen van de minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK ZUTPHEN
Sector Civiel
Afdeling Familie
VERVALLENVERKLARING MACHTIGING UITHUISPLAATSING (JJI)
Zaaknummer: 75815 JERK 06-98
Beschikking: 27 februari 2006
Beslissing op het verzoek van:
de stichting: Stichting Bureaus Jeugdzorg Gelderland,
gevestigd te: Arnhem,
adres: Prins Willem Alexanderlaan 201, 7311 ST Apeldoorn,
inzake
de minderjarige: [voornamen ] [achternaam],
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],
advocaat: mr. M.L.J. Wekking te Apeldoorn,
en
de moeder (ouderlijk gezag): [voornamen] [achternaam],
wonende te: [postcode en plaats],
adres: [adres],
en
de vader: [voornamen] [achternaam],
zonder bekende woon- of verblijfplaats.
Het verloop van de procedure
Dit verloop blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 8 februari 2006;
- de beschikking van deze rechtbank van 8 februari 2006;
- het faxbericht van BJZ van 14 februari 2006-02-21;
- het proces verbaal van de zitting van 20 februari 2006.
De vaststaande feiten
Krachtens de beschikking van de kinderrechter te Zutphen van 8 februari 2006
is de stichting met spoed gemachtigd de minderjarige uithuis te plaatsen in een justitiële jeugdinrichting (JJI) met ingang van 8 februari 2006 tot 8 mei 2006 met de bepaling dat belanghebbenden binnen twee weken in de gelegenheid worden gesteld hun mening aan de kinderrechter kenbaar te maken.
Om de veiligheid van de minderjarige en zijn omgeving te kunnen garanderen en een verdere ontwikkelingsbedreiging af te wenden is daarbij besloten voormelde beschikking niet aan de minderjarige bekend te maken voor de tenuitvoerlegging van de machtiging zodat zowel moeder als hijzelf beschermd worden tegen zijn reactie.
De beoordeling
In het faxbericht van 14 februari 2006 heeft de stichting de kinderrechter laten weten het verzoek om de machtiging in te willen trekken. Justitie heeft de stichting laten weten dat, vanwege minimale doorstroom, de kans nihil is dat de minderjarige binnen een week kan worden geplaatst. De stichting wil het verzoek intrekken om te voorkomen dat de minderjarige kennis neemt van de beschikking voordat hij op een veilige plek zit.
De kinderrechter constateert dat, gelet op de omstandigheid dat ten gevolge van gebrek aan ruimte in de instelling waar de minderjarige geplaatst zou worden, geen uitvoering kan worden gegeven aan de machtiging tot uithuisplaatsing. Doordat de minderjarige in het belang van zijn eigen veiligheid en die van zijn moeder niet in kennis kan worden gesteld van voormelde beschikking voordat hij in de instelling is geplaatst, is het niet mogelijk de minderjarige te horen over voormelde beschikking. Nu de minderjarige niet binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken in de gelegenheid kan worden gesteld zijn mening aan de kinderrechter kenbaar te maken, is niet aan het vereiste van artikel 800, derde lid van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voldaan en verliest de machtiging haar kracht.
De beslissing
De kinderrechter:
stelt vast dat de machtiging tot spoeduithuisplaatsing in een justitiële jeugdinrichting, gegeven op 8 februari 2006 haar kracht heeft verloren.
Deze beschikking is gegeven door mr. G.W. Brands-Bottema en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.
De griffier deelt mede dat:
van vorenstaande beschikking hoger beroep openstaat bij het gerechtshof te Arnhem:
- voor verzoeker en de verschenen belanghebbenden binnen drie maanden na de dagtekening van deze beschikking;
- voor andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat deze beschikking op andere wijze hun bekend is geworden;
dit beroep moet worden ingesteld door tussenkomst van een advocaat/procureur.